Tussen Bloemen en Bitterheid: Mijn Leven in de Schaduw van Moeder
‘Waarom doe je toch altijd zo moeilijk, Iris? Bloemen zijn verspilling. Je kunt beter aardappelen planten, daar heb je tenminste wat aan.’
De stem van mijn moeder, haar toon doordrenkt met ongeduld, galmt nog na terwijl ik met trillende handen de kale aarde aanraak waar gisteren nog mijn viooltjes stonden. Ik voel een brok in mijn keel. De geur van omgewoelde aarde mengt zich met het scherpe parfum van haar afkeuring. Mijn vingers trillen als ik een verdwaalde bloemsteel uit de grond trek. ‘Ze begrijpt het gewoon niet,’ fluister ik tegen mezelf, terwijl ik mijn tranen wegveeg.
Mijn naam is Iris van Dijk, 27 jaar, opgegroeid in een rijtjeshuis in Amersfoort. Mijn moeder, Marjan, is altijd praktisch geweest. Ze werkte jarenlang als verpleegkundige, stond bekend om haar nuchterheid en haar vermogen om met weinig veel te doen. Mijn vader, Willem, was een stille man die zich het liefst terugtrok in zijn schuurtje. Mijn oudere broer Bas was haar oogappel; hij studeerde rechten in Utrecht en werd altijd geprezen om zijn verstandige keuzes.
Ik was het buitenbeentje. Terwijl Bas voetbalde en mijn moeder de administratie deed, zat ik met een schetsboek tussen de bloemen van oma’s tuin. Oma Els was de enige die mijn liefde voor bloemen begreep. ‘Bloemen zijn het bewijs dat schoonheid zin heeft, zelfs als niemand het ziet,’ zei ze altijd. Maar oma is nu drie jaar dood en sindsdien voelt het huis kouder, leger.
‘Je moet niet zo sentimenteel doen,’ zei mijn moeder toen ik haar vroeg waarom ze mijn bloemen had weggehaald. ‘We hebben geen tijd voor onzin. Het leven is hard genoeg.’
Die avond zat ik op mijn kamer, luisterend naar het zachte getik van regen tegen het raam. Mijn kamer was klein, vol boeken over botanica en aquarellen van bloemen die ik zelf had geschilderd. Ik voelde me opgesloten, gevangen tussen haar verwachtingen en mijn eigen dromen.
Op een dag kwam Bas thuis met zijn vriendin Sanne. Ze was alles wat mijn moeder wilde: slim, praktisch, ambitieus. Tijdens het eten vroeg Sanne: ‘Iris, wat doe jij eigenlijk tegenwoordig?’
Ik slikte. ‘Ik werk bij een bloemenwinkel in de binnenstad.’
Mijn moeder snoof. ‘Ze verkoopt bloemen. Maar ze zou beter iets nuttigs kunnen doen.’
Bas lachte ongemakkelijk. ‘Mam…’
Maar Sanne keek me aan met een mengeling van medelijden en nieuwsgierigheid. ‘Vind je dat leuk?’
‘Ja,’ zei ik zacht. ‘Heel erg zelfs.’
Na het eten ruimde ik de tafel af terwijl mijn moeder in de woonkamer mopperde over de prijzen van de boodschappen en Bas haar probeerde gerust te stellen over zijn nieuwe baan bij een advocatenkantoor.
Die nacht lag ik wakker, starend naar het plafond. Waarom kon ik niet gewoon zijn zoals zij wilden? Waarom voelde alles wat ik deed als een teleurstelling?
De volgende ochtend stond ik vroeg op om naar de bloemenwinkel te gaan. De geur van verse rozen en lelies begroette me als een warme omhelzing. Mijn baas, mevrouw De Vries, glimlachte vriendelijk. ‘Je hebt groene vingers, Iris. Je oma zou trots op je zijn.’
Die woorden deden pijn en gaven hoop tegelijk.
Op een dag kwam er een klant binnen: een oudere vrouw met grijs haar en zachte ogen. Ze keek naar de bloemen alsof ze oude vrienden begroette.
‘Mag ik u ergens mee helpen?’ vroeg ik.
Ze glimlachte. ‘Ik zoek iets voor op het graf van mijn dochter.’
Ik voelde een steek in mijn hart en hielp haar met zorg een boeket samen te stellen. Toen ze vertrok, bleef ik achter met een gevoel van verbondenheid – verdriet dat gedeeld werd zonder woorden.
Thuis bleef het conflict sluimeren. Mijn moeder vond steeds weer manieren om me te kleineren: ‘Je verspilt je talent aan bloemen,’ of: ‘Wanneer ga je nou eens iets bereiken?’
Op een avond barstte het los tijdens het avondeten.
‘Waarom kun je niet gewoon normaal doen?’ riep ze uit.
‘Wat is normaal dan?’ schreeuwde ik terug, tot mijn eigen verbazing.
‘Zoals Bas! Een baan met toekomst! Iets waar je trots op kunt zijn!’
‘Ik bén trots op wat ik doe!’
Er viel een ijzige stilte. Mijn vader keek naar zijn bord, Bas staarde naar zijn telefoon.
‘Misschien moet je maar eens op jezelf gaan wonen,’ zei mijn moeder uiteindelijk kil.
Die nacht pakte ik mijn spullen. Ik had geen plan, alleen een verlangen naar vrijheid. Ik sliep op de bank bij een vriendin in Utrecht, werkte extra uren in de bloemenwinkel en spaarde elke cent.
Het was zwaar. Soms at ik dagenlang alleen pasta met ketchup omdat er niets anders was. Maar elke ochtend als ik wakker werd in mijn kleine kamer boven de winkel, voelde ik iets wat ik thuis nooit had gevoeld: ruimte om te ademen.
Langzaam bouwde ik een nieuw leven op. Ik begon workshops bloemschikken te geven aan ouderen in verzorgingstehuizen; hun verhalen raakten me diep. Ik ontmoette mensen die net als ik buitenbeentjes waren – kunstenaars, muzikanten, dromers.
Op een dag kreeg ik een brief van mijn moeder:
‘Je vader is ziek. Hij vraagt naar je.’
Mijn hart sloeg over. Ik ging terug naar Amersfoort en vond hem bleek en zwak in zijn stoel bij het raam.
‘Dag meisje,’ zei hij zacht.
We praatten urenlang over vroeger – over oma’s tuin, over hoe hij altijd stiekem trots was geweest op mijn schilderijen.
Mijn moeder stond zwijgend in de deuropening.
Toen hij stierf, voelde het alsof er iets definitief kapotging tussen mij en haar. Op de dag van de begrafenis legde ik een boeket viooltjes op zijn graf – zijn favoriete bloemen.
Na afloop stond mijn moeder naast me.
‘Waarom altijd bloemen?’ vroeg ze schor.
Ik keek haar aan en zag voor het eerst iets breekbaars in haar ogen.
‘Omdat ze laten zien dat er zelfs in verdriet schoonheid kan zijn,’ fluisterde ik.
Ze knikte langzaam, maar zei niets meer.
Nu woon ik nog steeds boven de bloemenwinkel. Soms komt Bas langs met Sanne en hun dochtertje Noor; zij houdt net als ik van bloemen.
Soms vraag ik me af of mijn moeder ooit zal begrijpen waarom bloemen voor mij zo belangrijk zijn – of ze ooit zal zien dat geluk niet altijd praktisch hoeft te zijn.
Misschien is dat wel de vraag die ons allemaal bezighoudt: durven we te kiezen voor wat ons gelukkig maakt, zelfs als niemand anders het begrijpt?