Tussen een Auto en een Kleinzoon: Mijn Gevecht om Familie

‘We hebben het druk, Marloes. De Volvo moet echt naar de garage, anders kunnen we zondag niet naar die oldtimerbeurs in Utrecht.’

Mijn moeder kijkt me nauwelijks aan terwijl ze haar jas dichtknoopt. Mijn vader staat al ongeduldig met de autosleutels te zwaaien. Ik voel mijn keel dichtknijpen. ‘Maar mam, Antoon vraagt al de hele week wanneer hij weer bij opa en oma mag spelen. Jullie hebben hem al drie maanden niet gezien.’

Ze zucht. ‘Lieverd, je weet toch hoe belangrijk die auto voor ons is? Het is ons project samen. En Antoon is nog zo klein, hij begrijpt dat toch niet.’

Ik slik mijn frustratie weg. Natuurlijk begrijpt hij het niet. Hij is vier. Hij denkt dat zijn grootouders hem niet willen zien omdat hij iets fout heeft gedaan. Elke keer als ik hem uitleg dat opa en oma “druk” zijn, zie ik zijn gezichtje betrekken.

‘Misschien kunnen jullie hem meenemen naar de garage? Hij vindt auto’s ook leuk,’ probeer ik voorzichtig.

Mijn vader schudt zijn hoofd. ‘Nee, dat is geen plek voor kinderen. En bovendien…’ Hij kijkt mijn moeder aan, alsof hij steun zoekt. ‘We willen gewoon even samen zijn, zonder gedoe.’

Zonder gedoe. Alsof mijn zoon gedoe is.

Als ze vertrekken, blijf ik achter in de hal met Antoon aan mijn hand. Zijn blauwe ogen kijken me vragend aan. ‘Gaan we nu naar opa en oma?’

‘Nee lieverd, opa en oma moeten iets doen met de auto.’

Hij knikt langzaam, maar ik zie de teleurstelling in zijn gezichtje. Die avond, als ik hem instop, fluistert hij: ‘Misschien vinden ze de auto liever dan mij.’

Mijn hart breekt. Hoe leg je een kind uit dat liefde soms niet vanzelfsprekend is?

De weken verstrijken. Mijn ouders sturen af en toe een appje met foto’s van hun Volvo op een dijk bij Marken, of lachend bij een oldtimerclub in Friesland. Nooit vragen ze naar Antoon. Nooit bieden ze aan om op te passen of samen iets te doen.

Op een dag besluit ik het gesprek aan te gaan. Ik nodig ze uit voor koffie. Antoon heeft tekeningen gemaakt van zichzelf in een auto met opa en oma. Hij legt ze trots op tafel.

‘Kijk eens wat ik heb gemaakt!’ roept hij blij als ze binnenkomen.

Mijn moeder glimlacht ongemakkelijk. ‘Wat mooi, jongen.’ Ze schuift de tekening snel opzij en begint over de nieuwe laklaag van de Volvo.

Ik kan het niet meer aanzien. ‘Waarom willen jullie nooit iets met Antoon doen?’ vraag ik plotseling, mijn stem trilt.

Mijn vader fronst. ‘Dat is toch niet waar? We sturen toch foto’s?’

‘Foto’s van jullie auto! Niet van jullie met jullie kleinzoon!’ Mijn stem klinkt harder dan ik wil.

Er valt een pijnlijke stilte.

Mijn moeder kijkt weg. ‘We weten gewoon niet zo goed wat we met kleine kinderen moeten,’ zegt ze zachtjes.

‘Maar jullie waren toch ook ouders? Jullie hebben mij opgevoed!’

‘Dat was anders,’ zegt mijn vader kortaf. ‘Toen hadden we geen tijd voor hobby’s.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Dus nu is er geen tijd meer voor familie?’

Ze zeggen niets meer. Even later vertrekken ze weer, zonder Antoon zelfs maar een knuffel te geven.

Die nacht lig ik wakker naast mijn man, Jeroen. Hij slaapt diep, maar ik kan alleen maar denken aan hoe het vroeger was. Mijn ouders waren streng, maar altijd aanwezig. Nu lijken ze onbereikbaar, opgeslokt door hun gezamenlijke passie voor die verdomde auto.

De volgende dag belt mijn zusje, Sanne. ‘Mam zegt dat je boos was gisteren.’

‘Ik ben niet boos,’ zeg ik zacht, ‘ik ben verdrietig. Antoon verdient beter dan dit.’

Sanne zucht. ‘Ze weten gewoon niet hoe ze met kinderen moeten omgaan die niet van hen zijn.’

‘Maar hij ís van hen! Het is hun kleinzoon!’

‘Misschien moet je het gewoon loslaten,’ zegt Sanne voorzichtig.

Maar hoe laat je los dat je ouders je kind negeren?

De weken worden maanden. Antoon vraagt steeds minder naar opa en oma. Hij tekent nu alleen nog auto’s zonder mensen erin.

Op een dag komt er een uitnodiging voor het jaarlijkse familie-etentje bij mijn ouders thuis. Ik twijfel of ik moet gaan, maar Jeroen overtuigt me: ‘Misschien is dit een kans om het goed te maken.’

We komen binnen in hun huis vol modelauto’s en foto’s van rally’s uit de jaren tachtig. Antoon houdt zich schuchter vast aan mijn hand.

Tijdens het eten praat mijn vader alleen over de Volvo en de nieuwe onderdelen die hij op de kop heeft getikt in Duitsland. Mijn moeder lacht om zijn verhalen, maar kijkt nauwelijks naar haar kleinzoon.

Na het toetje vraagt Antoon zachtjes: ‘Opa, mag ik mee in de Volvo?’

Mijn vader kijkt ongemakkelijk naar mij en dan naar Antoon. ‘Misschien als je groter bent, jongen.’

Antoon knikt en draait zich om naar mij. Ik zie tranen in zijn ogen.

Als we thuiskomen barst ik in huilen uit. Jeroen slaat zijn armen om me heen.

‘Ze weten niet wat ze missen,’ fluistert hij.

Maar ik weet dat het niet genoeg is.

De volgende dag besluit ik alles op te schrijven in een brief aan mijn ouders:

“Lieve pap en mam,
Ik begrijp dat jullie gelukkig worden van jullie auto en alles wat daarbij hoort. Maar Antoon verdient grootouders die hem zien staan, die hem laten voelen dat hij erbij hoort. Ik hoop dat jullie op een dag beseffen wat echt belangrijk is.”

Ik krijg nooit antwoord op die brief.

Het leven gaat verder. Antoon groeit op zonder echte band met zijn grootouders. Soms zie ik hem kijken naar oude foto’s van mij als kind met mijn ouders – lachend op het strand bij Zandvoort – en vraag ik me af waar het misging.

Heb ik gefaald als dochter? Of zijn zij vergeten hoe het voelt om familie te zijn?

Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen familie en loslaten? Is liefde soms echt niet genoeg?