Tussen Schuld en Moederschap: Mijn Gevecht voor Mijn Zoon
‘Marloes, je moet nu komen. Ze dreigt weer met de deurwaarder!’ De stem van mijn man, Jeroen, trilt aan de andere kant van de lijn. Ik sta in de Albert Heijn, mijn handen vol met boodschappen, terwijl mijn zoontje Daan aan mijn jas trekt. Mijn hart bonkt in mijn keel. Niet weer, denk ik. Niet wéér die ellende.
‘Ik kom eraan,’ zeg ik zacht, terwijl ik Daan’s handje steviger vastpak. Zijn grote blauwe ogen kijken me vragend aan. ‘Mama, wat is er?’ vraagt hij. Ik glimlach flauwtjes, maar van binnen breek ik. Hoe leg je een kind van zes uit dat oma weer geldproblemen heeft? Dat wij, zijn ouders, steeds opnieuw moeten kiezen tussen onze eigen rust en de eindeloze schulden van iemand anders?
Thuis is de spanning te snijden. Jeroen zit op de bank, zijn hoofd in zijn handen. Zijn moeder, Truus, ijsbeert door de kamer. ‘Ze nemen alles mee! Alles!’ roept ze dramatisch. Daan vlucht naar zijn kamer. Ik voel me verscheurd: ik wil hem achterna om hem te troosten, maar Truus’ paniek zuigt alle aandacht op.
‘We kunnen niet blijven betalen, mam,’ zegt Jeroen zacht. Zijn stem breekt. ‘We hebben zelf ook een gezin.’
Truus draait zich naar mij toe. ‘Jij snapt het toch wel, Marloes? Jij weet hoe het is om alles kwijt te raken!’ Haar woorden snijden door mijn ziel. Mijn eigen jeugd in een krappe flat in Rotterdam schiet door mijn hoofd: de schaamte, de angst voor brieven met rode strepen.
‘Ik snap het, Truus,’ zeg ik voorzichtig. ‘Maar we kunnen niet blijven helpen. We hebben Daan, we moeten aan hem denken.’
Ze barst in tranen uit. ‘Jullie laten me stikken! Jullie zijn net als je vader!’
Die avond lig ik wakker naast Jeroen. Zijn ademhaling is zwaar; hij slaapt niet echt. ‘Wat moeten we doen?’ fluister ik.
‘Ik weet het niet meer,’ zegt hij schor. ‘Ze is mijn moeder.’
‘En Daan is onze zoon,’ zeg ik zacht.
De dagen erna zijn een waas van telefoontjes, rekeningen en ruzies. Truus belt elke dag, soms midden in de nacht. ‘Ze komen morgen! Kun je niet iets regelen?’ Jeroen wordt stiller, trekt zich terug. Ik voel me steeds meer alleen.
Op een woensdagmiddag zit ik met Daan op het schoolplein te wachten tot hij naar binnen mag. Een andere moeder, Sanne, komt naast me zitten. ‘Je ziet er moe uit,’ zegt ze vriendelijk.
Ik knik alleen maar. De tranen prikken achter mijn ogen.
‘Wil je erover praten?’ vraagt ze.
En ineens vertel ik alles: over Truus, de schulden, de druk op ons gezin. Sanne luistert zonder oordeel.
‘Je mag best aan jezelf denken,’ zegt ze zacht. ‘En aan Daan.’
Die woorden blijven hangen.
’s Avonds probeer ik met Jeroen te praten. ‘We moeten grenzen stellen,’ zeg ik voorzichtig. ‘Dit gaat zo niet langer.’
Hij kijkt me aan met rode ogen. ‘Ze heeft niemand anders.’
‘Maar wij wel,’ zeg ik felder dan bedoeld. ‘Wij hebben elkaar. En Daan.’
De volgende dag belt Truus weer. ‘Marloes, alsjeblieft…’
Ik neem een diepe ademhaling. ‘Truus, we kunnen niet meer helpen. We moeten voor onszelf kiezen nu.’
Het blijft stil aan de andere kant van de lijn.
‘Dus je laat me gewoon vallen?’ snikt ze uiteindelijk.
‘Nee,’ zeg ik zacht. ‘Maar ik laat mezelf niet meer vallen.’
De weken daarna zijn zwaar. Truus praat nauwelijks met ons; Jeroen is somber en Daan vraagt steeds vaker waarom oma boos is.
Op een avond zit ik met Daan op bed. Hij kijkt me ernstig aan.
‘Mama, ben je verdrietig?’
Ik slik en knik.
‘Is het omdat oma boos is?’
Ik knuffel hem stevig. ‘Soms moet je moeilijke keuzes maken om goed voor jezelf te zorgen,’ fluister ik.
Hij denkt even na en zegt dan: ‘Ik vind het fijn als jij bij mij bent.’
Die woorden geven me kracht.
Langzaam keert de rust terug in huis. Jeroen en ik praten meer; we zoeken samen hulp bij een maatschappelijk werker om met Truus om te gaan zonder onszelf te verliezen. Het contact met haar blijft moeizaam, maar we houden voet bij stuk.
Soms voel ik me nog steeds schuldig. Maar als ik Daan zie lachen in de speeltuin, weet ik dat ik het juiste heb gedaan.
En toch vraag ik me af: waar ligt de grens tussen zorgen voor anderen en zorgen voor jezelf? Hoeveel kun je geven voordat je jezelf kwijtraakt? Wat zouden jullie doen als jullie in mijn schoenen stonden?