Tussen Vier Muren: Mijn Strijd om Thuis te Zijn

‘Waarom luister je nooit naar mij, Marieke?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ria, snijdt door de stilte van de woonkamer. Haar ogen priemen in de mijne, terwijl ik mijn handen om een kop lauwe thee klem. Mijn man, Jeroen, zit zwijgend op de bank. Zijn blik is op zijn telefoon gericht, alsof hij zich kan verstoppen voor de spanning die als een dikke mist tussen ons hangt.

‘Ik luister wel, Ria,’ zeg ik zacht, maar mijn stem trilt. ‘Ik heb alleen een andere mening.’

Ria schudt haar hoofd. ‘In dit huis doen we het zoals wij dat altijd gedaan hebben. Dat weet je toch?’

Dit huis. Haar huis. Ooit was het ons huis, dacht ik. Toen Jeroen en ik drie jaar geleden samen introkken in dit rijtjeshuis in Amersfoort, voelde het als een nieuw begin. Maar na de dood van Jeroens vader kwam Ria steeds vaker langs. Eerst om te helpen, daarna om te blijven slapen. Nu lijkt het alsof zij hier woont en ik te gast ben.

‘Jeroen?’ probeer ik. Maar hij haalt zijn schouders op. ‘Laat het nou gewoon even, Mariek.’

Ik voel hoe mijn keel dichtknijpt. Elke dag lijkt een herhaling van zetten: Ria die bepaalt wat we eten, hoe we de meubels neerzetten, zelfs welke gordijnen er hangen. Mijn eigen spullen verdwijnen langzaam uit het zicht. Mijn favoriete vaas? In een doos op zolder. De foto van mijn ouders? Achter een stapel tijdschriften.

’s Nachts lig ik wakker naast Jeroen. Zijn ademhaling is diep en gelijkmatig; hij slaapt door alles heen. Ik staar naar het plafond en vraag me af wanneer ik mezelf ben kwijtgeraakt.

‘Waarom laat je haar alles bepalen?’ fluister ik op een avond.

Jeroen draait zich om, zijn gezicht half in het kussen gedrukt. ‘Ze heeft niemand meer behalve ons. Kun je niet gewoon een beetje water bij de wijn doen?’

‘Maar wanneer is het genoeg? Wanneer mag ik hier ook thuis zijn?’

Hij zucht diep en draait zich weer om. Het gesprek is voorbij voordat het goed en wel begonnen is.

De volgende ochtend staat Ria al in de keuken als ik beneden kom. Ze roert in de pan alsof ze hier altijd al heeft gewoond.

‘Je moet niet zo moeilijk doen, Marieke,’ zegt ze zonder op te kijken. ‘Je weet toch dat Jeroen en ik altijd alles samen deden.’

Ik slik mijn woorden in en loop naar buiten, de frisse lucht in. Op straat zie ik buurvrouw Els haar hond uitlaten. Ze glimlacht vriendelijk.

‘Alles goed bij jullie?’ vraagt ze.

Ik knik, maar voel de tranen prikken achter mijn ogen. ‘Druk,’ zeg ik snel.

Die middag besluit ik naar mijn moeder te gaan in Utrecht. Ze zet thee en kijkt me onderzoekend aan.

‘Je ziet er moe uit, lieverd.’

Ik vertel haar alles: hoe Ria steeds meer ruimte inneemt, hoe Jeroen zich terugtrekt, hoe ik mezelf niet meer herken in de spiegel.

‘Je moet voor jezelf opkomen,’ zegt ze zacht. ‘Dit is jouw huis ook.’

Maar hoe doe je dat als niemand naar je luistert?

De weken verstrijken en de spanning groeit. Op een avond barst de bom tijdens het eten.

‘Waarom staat er weer pasta op tafel?’ snauwt Ria. ‘Je weet toch dat Jeroen niet van pasta houdt!’

Ik leg mijn vork neer. ‘Misschien wil ik ook eens iets kiezen wat ík lekker vind.’

Ria’s ogen worden groot van verontwaardiging. ‘Wat ondankbaar! Ik heb altijd voor jullie gezorgd!’

‘Dat vraag ik niet van u!’ Mijn stem klinkt harder dan bedoeld.

Jeroen kijkt tussen ons in, zijn gezicht rood aangelopen.

‘Kunnen jullie ophouden? Ik word hier gek van!’ roept hij uiteindelijk en smijt zijn servet op tafel.

Die nacht slaap ik op de bank. De stilte in huis is oorverdovend.

De volgende ochtend vind ik een briefje op het aanrecht: “Ben bij mama.”

Mijn hart bonkt in mijn keel. Is dit het dan? Ben ik alles kwijt?

Ik bel mijn moeder en stort alles uit. Ze biedt aan dat ik tijdelijk bij haar kan komen wonen, maar iets in mij weigert te vluchten.

Die avond zit ik alleen aan tafel als Ria binnenkomt met haar koffers.

‘Ik ga naar mijn zus in Groningen,’ zegt ze zonder me aan te kijken. ‘Misschien is dat beter voor iedereen.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Opluchting en schuldgevoel vechten om voorrang.

Jeroen komt die avond laat thuis. Hij kijkt me niet aan als hij binnenkomt.

‘Ze is weg,’ zeg ik zacht.

Hij knikt alleen maar en loopt door naar boven.

De dagen daarna zijn stil en leeg. Jeroen praat nauwelijks met me; hij lijkt nog verder weg dan ooit.

Op een avond zit ik op de bank met een glas wijn als hij naast me komt zitten.

‘Het spijt me,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Ik had je meer moeten steunen.’

Ik kijk hem aan en voel de tranen over mijn wangen stromen.

‘Ik wil niet meer vechten om hier thuis te mogen zijn,’ fluister ik. ‘Ik wil gewoon… samen zijn.’

Hij pakt mijn hand vast en knijpt erin.

‘Laten we opnieuw beginnen,’ zegt hij zacht.

Het is geen sprookjeseinde; er zijn nog steeds littekens, nog steeds onuitgesproken woorden. Maar voor het eerst in maanden voelt het huis weer een beetje als van ons samen.

Soms loop ik door de kamers en vraag ik me af: hoeveel moet je opgeven voordat je jezelf verliest? En hoeveel moed heb je nodig om jezelf weer terug te vinden? Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen liefde en jezelf?