Twintig jaar bedrog: Het geheime leven van mijn man
‘Mark, wie is Linda?’ Mijn stem trilt, mijn vingers klemmen zich om de rand van het aanrecht. Het is een gewone dinsdagavond in ons rijtjeshuis in Amersfoort, maar niets voelt nog gewoon. Mark kijkt niet op van zijn telefoon. ‘Gewoon, een collega,’ zegt hij, te snel, te luchtig. Maar ik heb haar stem gehoord. Ik heb haar gehoord zeggen: ‘Mark, de kinderen vragen wanneer je thuiskomt.’
Twintig jaar lang heb ik gedacht dat ik alles wist van deze man. We hebben samen twee kinderen, Joris en Lotte, en een leven opgebouwd dat leek op dat van iedereen in onze straat. Elke ochtend fietsten we samen naar het station, hij naar zijn werk bij de gemeente, ik naar de basisschool waar ik lesgeef. We aten samen aan tafel, maakten plannen voor vakanties naar Texel of de Ardennen, lachten om de kattenkwaad van Joris. Maar nu voelt alles als een leugen.
Die avond kan ik niet slapen. Ik hoor zijn ademhaling naast me, gelijkmatig en diep, alsof er niets aan de hand is. Mijn gedachten razen. Hoe vaak heeft hij gelogen? Hoe vaak was hij écht op kantoor als hij zei dat hij moest overwerken? Ik draai me om en staar naar het plafond. Mijn hart bonkt in mijn keel.
De volgende ochtend, terwijl Mark onder de douche staat, pak ik zijn telefoon. Mijn handen trillen zo erg dat ik bijna het wachtwoord verkeerd intoets. Maar het lukt. Ik scroll door zijn berichten en daar is ze: Linda. Haar naam staat bovenaan. ‘Tot vanavond lieverd’, ‘De kinderen missen je’, ‘Wanneer kom je weer?’
Ik voel me misselijk. Mijn benen geven bijna de geest. Ik hoor het water stoppen in de badkamer en leg snel de telefoon terug. Als Mark de kamer binnenkomt, kijk ik hem niet aan. ‘Ik moet eerder weg vandaag,’ lieg ik, ‘vergadering op school.’
Op weg naar school fiets ik langs het kanaal. De lucht is grijs, het water rimpelloos. Ik wil schreeuwen, maar er komt geen geluid uit mijn keel. Op school groet collega Marieke me vrolijk: ‘Goedemorgen, Anna!’ Ik knik zwakjes en vlucht het lokaal in.
In de pauze bel ik mijn zus Karin. ‘Kar, ik weet niet wat ik moet doen,’ fluister ik terwijl ik in het kopieerhok sta. Ze zwijgt even. ‘Anna… ben je zeker?’
‘Ik heb haar gehoord. En zijn berichten gelezen.’
‘God…’ Ze zucht diep. ‘Wil je dat ik kom?’
‘Nee… nog niet. Ik moet eerst weten wat ik wil.’
Die avond wacht ik tot Mark thuiskomt. De kinderen zitten boven huiswerk te maken. Ik zet thee en probeer mijn handen stil te houden.
‘Mark,’ begin ik, ‘ik weet van Linda.’
Hij verstijft, zijn gezicht wordt asgrauw.
‘Anna…’
‘Hoe lang al?’ Mijn stem klinkt vreemd kalm.
Hij zakt neer op een stoel en verbergt zijn gezicht in zijn handen.
‘Zeventien jaar,’ fluistert hij.
Zeventien jaar. Langer dan Lotte leeft. Mijn maag draait zich om.
‘En… kinderen?’
Hij knikt langzaam.
‘Twee.’
Ik voel hoe alles in mij breekt. De man die ik dacht te kennen heeft een ander leven geleid, parallel aan het onze. Hoe kon ik zo blind zijn? Was ik zo druk met werk, met de kinderen, met het huishouden dat ik niet zag wat er recht voor mijn neus gebeurde?
De dagen daarna leef ik op automatische piloot. Ik breng Joris naar voetbal, help Lotte met haar spreekbeurt over Rembrandt, geef les aan groep 5 alsof er niets aan de hand is. Maar ’s nachts huil ik in stilte in bed, terwijl Mark beneden op de bank slaapt.
Mijn moeder belt: ‘Lieve schat, je klinkt zo moe.’
Ik wil haar alles vertellen, maar slik de woorden in. Ze zou het niet begrijpen – of misschien juist te goed.
Op een zaterdagmiddag zit ik met Karin aan de keukentafel.
‘Wat ga je doen?’ vraagt ze zacht.
Ik staar naar mijn handen.
‘Ik weet het niet. De kinderen… hun leven mag niet kapot door zijn fouten.’
Karin pakt mijn hand vast.
‘Maar jij dan? Jij leeft ook nog, Anna.’
’s Avonds komt Mark thuis van ‘een wandeling’. Hij kijkt me aan met rode ogen.
‘Anna, mag ik alsjeblieft uitleggen?’
Ik knik zwijgend.
Hij vertelt over Linda, hoe ze elkaar ontmoetten op een congres in Utrecht, hoe het begon als een vergissing en uitgroeide tot iets wat hij niet meer kon stoppen. Hij zegt dat hij van mij houdt – maar ook van haar.
‘Waarom heb je nooit gekozen?’ vraag ik.
Hij haalt zijn schouders op.
‘Omdat ik niet kon kiezen. Omdat jullie allemaal belangrijk zijn.’
Woede welt in me op.
‘Je hebt ons allemaal verraden!’ roep ik uit.
Bovenaan de trap hoor ik Lotte’s deur dichtslaan.
De weken daarna volgen gesprekken met een mediator, slapeloze nachten vol ruzie en tranen, gesprekken met de kinderen waarin we proberen uit te leggen wat onverklaarbaar is.
Joris sluit zich af; Lotte huilt elke avond in mijn armen.
Op een dag sta ik voor de spiegel en herken mezelf niet meer. Mijn gezicht is grauw, mijn ogen dof.
Karin belt: ‘Kom bij mij logeren dit weekend.’
Ik pak een tas en vertrek met Lotte naar haar flat in Utrecht.
’s Nachts lig ik wakker naast Lotte die zacht snikt in haar slaap.
Hoe ga ik verder? Kan ik ooit nog iemand vertrouwen? Heb ik gefaald als vrouw – als moeder?
Na maanden van gesprekken en tranen besluit ik dat Mark moet vertrekken uit ons huis. De kinderen blijven bij mij; hij ziet ze in het weekend.
Langzaam bouw ik iets nieuws op – alleen met Joris en Lotte. We eten pizza op vrijdagavond, kijken slechte films en fietsen samen door het bos bij Soestduinen.
Soms zie ik Mark op straat met Linda en hun kinderen. Het steekt nog steeds – maar minder fel dan eerst.
Nu, twee jaar later, zit ik op dezelfde plek aan het kanaal waar alles begon. De lucht is helderblauw; het water schittert in de zon.
Ik adem diep in en denk: had ik dit kunnen voorkomen? Of was dit altijd al ons lot?
Wat betekent vertrouwen eigenlijk – en kun je ooit echt opnieuw beginnen? Wat zouden jullie doen als je twintig jaar lang voor de gek werd gehouden?