Twintig jaar pijn en teleurstelling: hoe de familie van mijn ex-man mijn leven tot een hel maakte

‘Waarom ben je nooit goed genoeg voor ze, Marleen?’ Mijn eigen stem galmt in mijn hoofd terwijl ik de deur van onze flat in Utrecht dichttrek. Het is een koude novemberavond, de regen tikt onophoudelijk tegen het raam. Ik kijk naar mijn trillende handen. Mijn man, Jeroen, zit in de woonkamer, starend naar zijn telefoon. Hij zegt niets. Zoals altijd.

‘Jeroen, kun je alsjeblieft iets zeggen?’ Mijn stem breekt. Hij haalt zijn schouders op. ‘Het is altijd hetzelfde met jou en mijn moeder. Kun je niet gewoon proberen het gezellig te houden?’

Ik voel de woede opborrelen. ‘Gezellig? Ze heeft net weer gezegd dat ik niet goed genoeg ben voor jou! Dat ik onze kinderen verkeerd opvoed! Dat ik een slechte huisvrouw ben!’

Hij kijkt me eindelijk aan, zijn blauwe ogen koud. ‘Ze bedoelt het niet zo. Je moet je niet zo aanstellen.’

Die woorden snijden dieper dan ik wil toegeven. Ik draai me om en loop naar de keuken, waar ik mezelf tegen het aanrecht laat zakken. Mijn ademhaling gaat snel. Twintig jaar geleden dacht ik dat ik het geluk gevonden had. Ik was jong, naïef misschien, maar vol hoop toen Jeroen me ten huwelijk vroeg op een druilerige dag in het Vondelpark.

Mijn ouders waren niet enthousiast. ‘Hij komt uit een andere wereld, Marleen,’ zei mijn moeder zachtjes. ‘Zijn familie… ze zijn anders dan wij.’ Maar ik lachte het weg. Liefde overwint alles, toch?

De eerste jaren waren mooi, ondanks de kleine steken onder water van schoonmoeder Ans. Ze vond altijd wel iets om over te klagen: mijn accent (‘zo plat Utrechts’), mijn kleding (‘je zou eens wat meer moeite mogen doen’), zelfs de manier waarop ik de aardappels schilde (‘dat doen wij thuis anders’). Jeroen lachte erom, vond het allemaal onschuldig.

Maar naarmate de jaren verstreken, werd het erger. Vooral toen onze dochter Sophie werd geboren. Ans kwam elke dag langs, ongevraagd, en corrigeerde alles wat ik deed. ‘Je moet haar niet zo vaak oppakken, straks wordt ze verwend.’ Of: ‘Laat haar niet met die kinderen uit de buurt spelen, dat soort mensen…’

Ik probeerde het te negeren, voor de lieve vrede. Maar het vrat aan me. Jeroen nam het nooit voor me op. ‘Zo is ze nu eenmaal,’ zei hij dan.

Toen onze zoon Bram werd geboren, werd het nog erger. Ans begon openlijk te zeggen dat ze hoopte dat Bram meer op hun familie zou lijken dan op mij. ‘Die donkere ogen van jou, Marleen… laten we hopen dat hij die niet erft.’

Op een dag hoorde ik haar fluisteren tegen Jeroen: ‘Je had beter kunnen trouwen met die leuke Annemieke van vroeger. Die paste tenminste bij ons.’

Ik voelde me steeds meer een buitenstaander in mijn eigen huis. Mijn schoonzus Linda was niet veel beter; ze keek altijd neerbuigend naar me tijdens familiebijeenkomsten en maakte gemene opmerkingen over mijn werk als basisschooljuf. ‘Ach, zo’n makkelijk baantje…’

De echte klap kwam toen Jeroen zijn baan verloor na een reorganisatie bij de Rabobank. Ineens was alles mijn schuld. ‘Als jij nou eens een echte carrière had gekozen,’ beet Ans me toe tijdens een verjaardagsfeestje waar iedereen bij was. ‘Dan hadden jullie nu niet zo in de problemen gezeten.’

Jeroen trok zich steeds verder terug. Hij zat urenlang achter zijn computer, solliciteerde nauwelijks en werd kortaf tegen mij en de kinderen. Ik voelde me alleen, opgesloten in een leven dat steeds meer op een gevangenis leek.

Op een avond, na weer een ruzie over geld en Ans die zich overal mee bemoeide, barstte ik in tranen uit aan tafel. Sophie keek me met grote ogen aan. ‘Mama, waarom ben je altijd verdrietig?’

Die vraag brak iets in mij.

Ik probeerde hulp te zoeken bij mijn eigen familie, maar mijn moeder zei alleen maar: ‘Ik heb je gewaarschuwd.’ Mijn vader zweeg zoals altijd.

De jaren sleepten zich voort in een eindeloze herhaling van ruzies, verwijten en teleurstellingen. De liefde tussen Jeroen en mij verdween langzaam maar zeker. We leefden langs elkaar heen; hij vond troost bij zijn vrienden in de kroeg, ik in lange wandelingen door het park met Sophie en Bram.

Toen Sophie vijftien werd en vertelde dat ze verliefd was op een meisje uit haar klas, wist ik meteen wat er zou gebeuren. Ans reageerde furieus: ‘Dat kan toch niet! In onze familie gebeurt zoiets niet!’ Jeroen zei niets.

Ik nam het op voor Sophie, maar dat maakte alles alleen maar erger. Linda stuurde me boze appjes: ‘Jij hebt haar verpest met jouw moderne ideeën!’

Op een dag vond ik Jeroen huilend op bed. ‘Ik kan dit niet meer,’ zei hij zachtjes. ‘Mijn familie verwacht zoveel van mij… en jij… jij begrijpt het gewoon niet.’

‘Misschien moet je dan kiezen,’ zei ik met trillende stem.

Hij koos voor zijn familie.

De scheiding was een nachtmerrie. Ans probeerde via haar contacten bij de gemeente te regelen dat ik minder alimentatie zou krijgen. Linda verspreidde roddels over mij in de buurt: dat ik vreemd was gegaan (niet waar), dat ik een slechte moeder was (ook niet waar).

Sophie en Bram kozen voor mij, maar het contact met hun vader werd steeds minder. Jeroen verhuisde naar zijn moeder; hij kwam alleen nog langs op verjaardagen.

Nu zit ik hier, jaren later, alleen in een klein appartement in Overvecht. Sophie studeert nu psychologie in Amsterdam; Bram doet een opleiding tot verpleegkundige in Utrecht. Ze komen vaak langs, maar toch voel ik me soms leeg.

Soms vraag ik me af of het allemaal anders had kunnen lopen als Jeroen ooit echt voor mij had gekozen – als hij ooit had durven opstaan tegen zijn familie.

‘Waarom ben je nooit goed genoeg voor ze geweest?’ fluister ik tegen mezelf als ik ’s avonds naar het plafond staar.

Misschien zijn er anderen die zich hierin herkennen? Wat zou jij hebben gedaan als je twintig jaar lang moest vechten tegen de mensen die je eigenlijk familie zouden moeten zijn?