Vaarwel, Maar Vergeet Je Troep Niet! Charles Vond Mijn Haar op de Stoel

‘Dit is niet te geloven, Eva! Hoe kan jouw haar hier nog liggen? Je bent al drie weken weg!’ Charles’ stem sloeg over, zijn gezicht rood aangelopen terwijl hij het blonde haar tussen duim en wijsvinger omhoog hield.

Ik stond in de deuropening van zijn flat in Utrecht, mijn handen trillend. ‘Charles, het is maar een haar. Misschien zat het aan mijn jas, of…’

‘Nee!’ onderbrak hij me fel. ‘Dit is precies waarom ik zei dat je alles moest meenemen. Zelfs je troep laat je achter!’

Ik voelde de tranen prikken achter mijn ogen. Hoe was het zover gekomen? Drie jaar samen, en nu stonden we hier te ruziën over een haar op een stoel. Mijn blik gleed langs de vertrouwde kamer: de plant die ik ooit had gekocht bij Intratuin stond er nog, maar hing er slapjes bij. De foto van ons samen op Texel was verdwenen van het dressoir.

‘Charles, ik ben hier alleen maar om mijn boeken op te halen. Kunnen we alsjeblieft…’

‘Nee, Eva! Je snapt het niet. Mijn moeder komt straks langs en als ze dit ziet…’ Zijn stem trilde nu. ‘Ze zei altijd al dat jij slordig was.’

Daar was ze weer: zijn moeder, Marijke. Altijd kritisch, altijd aanwezig, zelfs als ze er niet was. Ik voelde de woede opborrelen. ‘Misschien moet je haar dan vertellen dat jij ook niet perfect bent,’ siste ik.

Hij keek me aan met die blik die ik zo goed kende – gekwetst, maar te trots om het toe te geven. ‘Ga gewoon. Neem je spullen en ga.’

Ik liep naar de boekenkast en begon mijn romans in een tas te stoppen. Mijn handen gleden over de ruggen van de boeken die we samen hadden gelezen tijdens regenachtige zondagen. Ik hoorde Charles in de keuken rommelen, waarschijnlijk op zoek naar iets om zijn handen bezig te houden.

Plotseling hoorde ik hem zachtjes vloeken. ‘Godverdomme…’

‘Wat is er nu weer?’ vroeg ik zonder op te kijken.

‘Je theemok staat hier nog. Die met die stomme kat erop.’

Ik draaide me om en keek hem aan. ‘Gooi hem dan weg, Charles. Of houd hem als aandenken.’

Hij gooide de mok met een klap in de prullenbak. ‘Ik wil geen herinneringen meer aan jou.’

De stilte die volgde was ondraaglijk. Ik voelde hoe mijn keel werd dichtgeknepen door verdriet en woede tegelijk. Hoe kon liefde zo snel omslaan in haat?

Toen ik eindelijk mijn spullen had gepakt, liep ik naar de deur. Charles stond met zijn rug naar me toe, starend uit het raam naar de grauwe lucht boven de stad.

‘Dag Charles,’ fluisterde ik.

Hij draaide zich niet om.

Buiten ademde ik diep in. De lucht rook naar regen en uitlaatgassen. Ik liep richting het station, mijn tas zwaar van de boeken en herinneringen die ik liever had achtergelaten.

Onderweg dacht ik terug aan hoe het allemaal begon. We ontmoetten elkaar tijdens Koningsdag, dansend op het Domplein tussen oranje geklede mensenmassa’s. Hij had me toen aan het lachen gemaakt met zijn slechte grappen en onhandige danspasjes. We waren jong, verliefd en dachten dat niets ons kon breken.

Maar naarmate de jaren verstreken, sloop de sleur erin. Kleine irritaties werden grote ruzies. Zijn moeder bemoeide zich overal mee – van hoe ik mijn was deed tot welke studie ik moest kiezen (‘Waarom geen rechtenstudie, Eva? Daar heb je tenminste wat aan!’). Mijn eigen ouders vonden Charles maar een rare snuiter (‘Hij praat zo weinig, meisje. Is hij wel gelukkig met jou?’).

De laatste maanden waren een hel geweest. Charles werkte steeds langer door op kantoor bij de gemeente, kwam laat thuis en at zwijgend zijn avondeten op terwijl hij naar zijn telefoon staarde. Ik voelde me steeds meer een indringer in mijn eigen huis.

Op een avond barstte de bom. ‘Waarom kijk je me nooit meer aan?’ vroeg ik zachtjes terwijl ik tegenover hem zat aan tafel.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Weet ik niet.’

‘Hou je nog wel van me?’

Hij keek me eindelijk aan, zijn ogen dof. ‘Ik weet het niet meer, Eva.’

Die nacht sliep ik op de bank en de volgende ochtend had ik mijn koffers gepakt.

Nu liep ik alleen door Utrecht, mijn hoofd vol vragen zonder antwoorden. Was het allemaal mijn schuld? Had ik meer moeten vechten voor onze relatie? Of was dit onvermijdelijk geweest?

Toen ik thuiskwam in mijn kleine studio in Lombok, lag er een briefje onder mijn deur geschoven.

‘Eva,

Sorry voor vandaag. Het spijt me dat ik zo uitviel tegen je. Ik weet dat het niet eerlijk was. Maar alles doet pijn nu – zelfs jouw haar op die stoel.

Charles’

Ik liet mezelf op bed vallen en staarde naar het plafond. De tranen kwamen eindelijk.

De dagen daarna probeerde ik mezelf bij elkaar te rapen. Mijn vriendin Sanne kwam langs met stroopwafels en wijn.

‘Je moet hem vergeten,’ zei ze terwijl ze haar glas hief.

‘Dat is makkelijker gezegd dan gedaan,’ zuchtte ik.

‘Weet je wat jij nodig hebt? Een nieuwe start! Ga met mij mee naar dat feestje zaterdag bij Joris thuis.’

Ik schudde mijn hoofd, maar Sanne gaf niet op.

Zaterdagavond stond ik toch bij Joris in de woonkamer, omringd door onbekende gezichten en luide muziek. Iemand tikte op mijn schouder.

‘Eva toch? Ik ben Maarten, vriend van Sanne.’

Zijn glimlach was warm en oprecht. We raakten aan de praat over boeken en reizen – onderwerpen waar Charles nooit echt interesse in had getoond.

Later die avond stonden we samen buiten te roken onder een afdakje terwijl de regen zachtjes tikte op het plastic dak.

‘Het klinkt alsof je veel hebt meegemaakt,’ zei Maarten zacht.

Ik knikte. ‘Soms voelt het alsof alles wat ik aanraak kapotgaat.’

Hij keek me lang aan voordat hij antwoordde: ‘Misschien moet je jezelf wat minder kwalijk nemen.’

Die woorden bleven hangen toen ik die nacht thuiskwam.

De weken verstreken en langzaam vond ik mezelf terug tussen nieuwe vrienden, oude hobby’s en lange wandelingen langs de Oudegracht. Toch bleef Charles af en toe door mijn hoofd spoken – vooral als ik een haar van mezelf vond op een onverwachte plek.

Op een dag kreeg ik een berichtje van Marijke, Charles’ moeder: ‘Eva, wil je alsjeblieft contact opnemen met Charles? Hij is zichzelf niet sinds jullie uit elkaar zijn.’

Ik twijfelde lang voordat ik reageerde. Uiteindelijk stuurde ik Charles een kort bericht: ‘Hoe gaat het met je?’

Zijn antwoord kwam snel: ‘Beter nu. Dankje dat je vraagt.’

We spraken af voor koffie in een klein café aan de Neude. Het gesprek was ongemakkelijk in het begin, maar gaandeweg werd het luchtiger.

‘We waren niet goed voor elkaar,’ zei Charles uiteindelijk zachtjes.

Ik knikte. ‘Maar we hebben wel mooie herinneringen gemaakt.’

We namen afscheid met een omhelzing die meer zei dan woorden ooit konden doen.

Nu, maanden later, kijk ik terug op alles wat er gebeurd is – het verdriet, de woede, maar ook de groei die eruit voortkwam.

Soms vraag ik me af: waarom hechten we zoveel waarde aan kleine dingen zoals een haar op een stoel? Is het omdat we bang zijn om echt los te laten? Of omdat we hopen dat er altijd iets van ons achterblijft bij degene van wie we ooit hielden?