Verhuizen naar het Onbekende: Hoe een Nieuwe Start Ons Brak

‘Wat doe je nou, Marieke? Je kunt toch niet zomaar alles achterlaten!’ De stem van mijn man, Erik, galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen een doos dichtplak. Het karton ruikt naar stof en oude herinneringen. ‘En jij dan?’ snauw ik terug, mijn stem breekt. ‘Je doet alsof jouw werkplaats het enige is dat telt. Maar mijn baan, mijn vrienden… alles wat ik hier heb opgebouwd, dat is blijkbaar niks waard?’

Erik staat midden in de woonkamer, zijn gezicht rood van frustratie. Overal staan dozen, volgepropt met ons leven samen: fotoalbums, boeken, het servies van mijn moeder. ‘Ik heb hier mijn hele leven gewerkt, Marieke! Mijn gereedschap, mijn klanten…’

‘En ik dan? Twintig jaar bij hetzelfde notariskantoor! Ze kennen me daar, ze vertrouwen me. En nu moet ik alles opgeven omdat jij denkt dat het platteland ons gelukkig gaat maken?’

Het begon allemaal zo onschuldig. Een huisje in Drenthe, een tuin vol appelbomen, ruimte voor Erik om te klussen en voor mij om eindelijk te schilderen. We droomden samen over lange wandelingen door het bos, over avonden bij de houtkachel. Maar nu, nu voelt het alsof we allebei aan een ander touw trekken en het touw staat op knappen.

De weken voor de verhuizing zijn een hel. Elke dag ruzie. Over wat mee moet en wat niet. Over geld. Over de kinderen – onze dochter Lotte van zestien die haar vriendinnen niet wil missen, onze zoon Bram die zwijgend zijn kamer uitruimt alsof hij zich voorbereidt op een ramp.

‘Mam, waarom moeten we eigenlijk weg?’ vraagt Lotte op een avond terwijl ze haar make-up in een doos stopt.

‘Omdat papa denkt dat we daar gelukkiger worden,’ zeg ik zacht.

Ze kijkt me aan met die grote blauwe ogen die ze van mij heeft geërfd. ‘En jij dan? Wil jij dat ook?’

Ik slik. ‘Ik weet het niet meer, lieverd.’

De dag van de verhuizing regent het pijpenstelen. De verhuiswagen staat te wachten terwijl Erik en ik elkaar ontwijken in het huis dat steeds leger wordt. Mijn hart bonkt in mijn keel als ik de sleutel op het aanrecht leg.

‘Weet je zeker dat je dit wilt?’ fluister ik.

Erik antwoordt niet. Hij kijkt naar buiten, naar de regen die tegen het raam slaat.

De eerste weken in Drenthe zijn vreemd stil. Het huis is groot en koud. Erik verdwijnt elke dag in zijn nieuwe schuur, ik probeer te schilderen maar mijn handen trillen te veel. Lotte huilt ’s nachts en Bram zegt bijna niets meer.

Op een avond barst alles los. Ik vind Erik buiten, starend naar de sterren.

‘Ik kan dit niet meer,’ zeg ik. ‘We zijn elkaar kwijtgeraakt.’

Hij draait zich langzaam om. ‘Misschien zijn we elkaar al veel langer kwijt dan we willen toegeven.’

We praten tot diep in de nacht. Over vroeger, over nu. Over hoe we allebei dachten dat verhuizen alles zou oplossen, maar dat we alleen maar verder uit elkaar zijn gegroeid.

De volgende ochtend besluiten we samen dat het beter is om uit elkaar te gaan. Voor onszelf, voor de kinderen. Het huis voelt ineens nog leger.

De weken daarna zijn een waas van papierwerk en tranen. Lotte wil terug naar haar oude school, Bram trekt zich steeds verder terug in zichzelf. Ik zoek een klein appartement in Assen en probeer opnieuw te beginnen.

Op een dag belt Erik me op.

‘Het spijt me,’ zegt hij zacht.

‘Mij ook,’ fluister ik terug.

Soms vraag ik me af of we niet gewoon hadden moeten blijven waar we waren. Of alles anders was gelopen als we niet waren verhuisd. Maar misschien was dit onvermijdelijk – misschien was het verhuizen alleen maar de druppel die de emmer deed overlopen.

Nu zit ik hier, alleen aan de keukentafel met een kop thee en een leeg doek voor me. Ik vraag me af: wanneer weet je of je moet vechten voor wat je hebt, of loslaten voor wat nog kan komen? Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen jezelf en je gezin?