Verloren Tussen de Grachten: Het Verhaal van Marieke van Dijk

‘Marieke! Waar ben je nou? Het eten wordt koud!’ De stem van mijn moeder galmt door het oude huis aan de Oudegracht. Mijn handen trillen als ik de foto van mijn vader terugleg in de la. ‘Ik kom eraan, mam!’ roep ik, maar mijn stem klinkt schor, alsof ik al uren niet heb gesproken.

De geur van stamppot vult de keuken, maar het voelt alsof er een koude mist tussen ons hangt. Mijn moeder, Ans, kijkt me niet aan terwijl ze de aardappelen opschept. ‘Je broer komt straks ook,’ zegt ze. Haar stem is vlak, bijna mechanisch. Ik weet dat ze hoopt dat alles weer normaal wordt als we maar samen aan tafel zitten. Maar sinds papa vorig jaar plotseling overleed, is niets meer normaal.

‘Heb je nog iets gehoord van Erik?’ vraag ik voorzichtig. Ze haalt haar schouders op. ‘Hij werkt veel. Druk met die nieuwe baan in Amsterdam.’

Ik knik, maar vanbinnen kook ik. Erik heeft zich nauwelijks laten zien sinds de begrafenis. Alles kwam op mij neer: het huis opruimen, mama troosten, de administratie regelen. En nu zit ik hier, 34 jaar oud, terug in mijn oude kinderkamer omdat mijn relatie met Jeroen op de klippen liep. Soms voelt het alsof ik alles kwijt ben.

De voordeur slaat dicht. Erik stapt binnen, zijn haar nat van de regen. ‘Hoi mam, Mariek.’ Hij kust mama vluchtig op haar wang en ploft neer aan tafel. ‘Sorry dat ik te laat ben.’

‘Het eten is koud,’ zegt mama zachtjes.

‘Geeft niet,’ bromt Erik. Hij kijkt me even aan, zijn blik kort en afstandelijk. Vroeger waren we onafscheidelijk, maar nu lijkt er een onzichtbare muur tussen ons te staan.

‘Hoe gaat het op je werk?’ probeer ik.

‘Druk,’ zegt hij weer. ‘Veel deadlines.’

Mama zwijgt. Ik voel de spanning groeien, als een storm die elk moment kan losbarsten.

Na het eten ruim ik zwijgend de tafel af. In de gang hoor ik mama en Erik fluisteren.

‘Ze moet verder met haar leven,’ zegt Erik. ‘Ze kan hier niet blijven hangen.’

‘Ze heeft tijd nodig,’ antwoordt mama.

‘We hebben allemaal tijd nodig gehad!’ snauwt Erik ineens harder dan bedoeld.

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. Waarom begrijpt niemand hoe moeilijk het is? Alles herinnert me aan papa: zijn jas die nog aan de kapstok hangt, zijn boeken in de kast, zijn stem in mijn hoofd als ik ’s nachts wakker lig.

Later die avond zit ik op mijn bed en staar naar het plafond. Mijn telefoon trilt: een berichtje van Jeroen.

‘Hoe gaat het met je?’

Ik typ: ‘Gaat wel.’ Maar ik stuur het niet. Wat heeft het voor zin? Hij heeft een nieuw leven opgebouwd zonder mij.

De volgende ochtend hoor ik mama huilen in de keuken. Ik sluip naar beneden en zie haar met haar hoofd op haar armen aan tafel zitten.

‘Mam?’

Ze kijkt op, haar ogen rood. ‘Het spijt me, Marieke. Ik weet niet hoe ik dit moet doen zonder hem.’

Ik ga naast haar zitten en pak haar hand vast. ‘Ik ook niet, mam.’

Erik komt binnen en zucht diep als hij ons ziet. ‘We moeten verder,’ zegt hij hardop, alsof hij zichzelf wil overtuigen.

‘Hoe dan?’ vraag ik boos. ‘Alsof het zo makkelijk is! Jij vlucht naar je werk en laat ons hier achter met alles!’

Erik balt zijn vuisten. ‘Dat is niet eerlijk! Jij bent degene die altijd wegloopt voor problemen! Je bent teruggekomen omdat je nergens anders heen kon!’

Mama snikt harder. ‘Stop! Jullie maken het alleen maar erger!’

Ik ren naar buiten, de regen in, zonder jas. De druppels prikken op mijn huid maar ik voel niets meer. Ik loop langs de gracht, kijk naar het water dat traag voorbij stroomt. Hoe ben ik hier beland? Waarom voelt alles zo uitzichtloos?

Die nacht droom ik van papa. Hij zit aan tafel, lacht zoals vroeger en zegt: ‘Je hoeft het niet alleen te doen, Marieke.’ Ik word huilend wakker.

De dagen daarna probeer ik met Erik te praten, maar hij ontwijkt me steeds. Mama wordt stiller en stiller; soms lijkt ze wel te verdwijnen in haar eigen verdriet.

Op een avond vind ik een brief in papa’s handschrift tussen zijn papieren:

‘Lieve Marieke,
Als je dit leest ben ik er misschien niet meer. Weet dat ik trots op je ben, wat er ook gebeurt. Zorg goed voor elkaar – dat is het enige wat telt.’

Mijn handen beven als ik de brief lees. Tranen stromen over mijn wangen.

Ik zoek Erik op in zijn oude kamer. Hij zit op bed met zijn laptop op schoot.

‘Mag ik even?’ vraag ik zacht.

Hij knikt zonder op te kijken.

Ik geef hem de brief. Hij leest hem zwijgend en veegt dan snel een traan weg.

‘Sorry dat ik zo bot was,’ zegt hij schor.

‘Ik ook,’ fluister ik.

We zitten samen op het bed, zwijgend maar dichter bij elkaar dan in maanden.

Langzaam beginnen we te praten: over papa, over vroeger, over onze angsten en dromen die we nooit hebben uitgesproken. Mama komt erbij zitten en voor het eerst sinds lange tijd lachen we samen om een oude herinnering aan papa’s slechte grappen.

Het verdriet blijft, maar het huis voelt iets minder koud.

Soms vraag ik me af: hoe vind je jezelf terug als alles wat je kende wegvalt? Is liefde genoeg om een gebroken gezin weer heel te maken? Misschien hebben jullie daar een antwoord op…