Verraad in ons nieuwe thuis: het verhaal van Kazimierz en Jagoda

‘Waarom heb je haar meegenomen, Kazimierz? Wat dacht je wel niet?’

De stem van mijn moeder sneed door de stilte als een mes. Ik voelde hoe mijn handen trilden onder de tafel, terwijl Jagoda naast me haar best deed om haar ademhaling onder controle te houden. We zaten nog maar net een half jaar in ons nieuwe appartement aan de rand van Poznań, vol hoop en plannen voor de toekomst. Maar nu, met mijn ouders tegenover ons aan de eettafel, voelde het alsof alles op instorten stond.

‘Mam, ik heb Jagoda niet meegenomen. We wonen hier samen. Dit is ons huis,’ probeerde ik rustig te zeggen, maar mijn stem klonk schor.

Mijn vader keek me aan met diezelfde strenge blik als vroeger, toen ik als kind iets verkeerd had gedaan. ‘Je weet dat dit niet is wat wij voor jou wilden. Je had naar ons moeten luisteren.’

Jagoda schoof haar stoel iets naar achteren. Haar ogen glansden, maar ze hield zich groot. ‘Misschien is het beter als ik even naar de slaapkamer ga,’ fluisterde ze.

‘Nee, blijf alsjeblieft,’ zei ik zacht. Maar ze stond al op en verdween zonder nog iets te zeggen. De deur viel zacht dicht.

‘Zie je nou wat je doet?’ siste mijn moeder. ‘Je maakt haar ongelukkig. En jezelf ook.’

Ik voelde de woede opborrelen. ‘Jullie kennen haar niet eens! Jullie hebben haar nooit een kans gegeven!’

Mijn vader zuchtte diep en schonk zichzelf nog een glas wijn in. ‘Soms moet je accepteren dat ouders meer weten dan jij, jongen.’

Die avond eindigde in stilte. Mijn ouders vertrokken zonder afscheid te nemen van Jagoda. Ik vond haar later huilend op bed. Ze draaide zich om toen ik binnenkwam, haar gezicht nat van de tranen.

‘Waarom mogen ze me niet?’ vroeg ze zacht.

Ik wist het antwoord niet. Misschien omdat ze anders was dan zij gewend waren. Misschien omdat ze bang waren hun zoon kwijt te raken aan iemand die hun normen en waarden niet deelde. Maar ik kon het haar niet uitleggen zonder zelf te breken.

De weken daarna hing er een spanning in huis die ik niet kon verdrijven. Jagoda werd stiller, trok zich vaker terug in zichzelf. Ik probeerde haar op te vrolijken, nam bloemen voor haar mee, kookte haar lievelingseten, maar niets leek te helpen.

Op een avond kwam ik thuis van mijn werk en vond ik haar niet in de woonkamer, niet in de keuken. In de slaapkamer zat ze op het bed, haar telefoon stevig in haar hand geklemd.

‘Wat is er?’ vroeg ik voorzichtig.

Ze keek me aan met rode ogen. ‘Je moeder heeft me gebeld.’

Mijn hart sloeg een slag over. ‘Wat heeft ze gezegd?’

‘Dat ik jou niet waard ben. Dat ik je alleen maar ongelukkig maak.’

Ik voelde de woede weer opkomen, maar deze keer was het anders. Het was niet alleen woede om wat mijn moeder had gezegd, maar ook om het feit dat ik Jagoda niet kon beschermen tegen mijn eigen familie.

‘Het spijt me zo,’ fluisterde ik.

Ze schudde haar hoofd. ‘Het is niet jouw schuld.’

Maar ergens wist ik dat het wel zo was. Ik had haar in deze situatie gebracht.

De dagen werden weken, en langzaam leek er iets te veranderen tussen ons. Jagoda werd afstandelijker, lachte minder vaak om mijn grappen, vermeed oogcontact tijdens het eten. Ik probeerde met haar te praten, maar ze sloot zich steeds meer af.

Op een avond kwam ik thuis en zag ik een onbekende jas aan de kapstok hangen. Mijn hart bonsde in mijn borstkas terwijl ik naar binnen liep.

In de woonkamer zat Jagoda tegenover een man die ik vaag herkende van haar werk – Mark, een collega van haar uit Amsterdam die ze wel eens had genoemd.

‘Kazimierz,’ zei ze zacht toen ze me zag binnenkomen. ‘Dit is Mark.’

Mark stond op en stak zijn hand uit. ‘Aangenaam.’

Ik negeerde zijn hand en keek Jagoda aan. ‘Kunnen we even praten?’

Ze knikte en liep met me mee naar de keuken.

‘Wat doet hij hier?’ vroeg ik, mijn stem trilde van woede en onzekerheid.

Ze keek me aan met een blik die ik niet kende – koud, afstandelijk. ‘We moesten iets bespreken voor werk.’

‘Op deze tijd? Bij ons thuis?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Het was belangrijk.’

Die nacht sliep ik nauwelijks. Ik hoorde hun stemmen tot laat in de avond, gelach dat door de muren sijpelde als vergif.

De volgende ochtend was Mark weg, maar de spanning bleef hangen als een zware mist.

Een week later vond ik per ongeluk een bericht op haar telefoon toen ze hem had laten liggen op tafel: “Ik mis je nu al – M.”

Mijn wereld stortte in.

Ik confronteerde haar ermee diezelfde avond. Ze ontkende niets, keek me alleen maar aan met diezelfde lege blik.

‘Het spijt me,’ zei ze zacht. ‘Ik weet niet meer wat ik voel.’

Ik voelde hoe alles waar we samen voor hadden gevochten uit mijn handen gleed.

De dagen daarna leefden we langs elkaar heen als vreemden in hetzelfde huis. Mijn ouders belden steeds vaker – eerst om te vragen hoe het ging, later om te zeggen dat ze altijd al hadden geweten dat dit zou gebeuren.

Op een avond zat ik alleen aan tafel toen mijn moeder belde.

‘Kom naar huis, jongen,’ zei ze zacht. ‘Je hoeft dit niet alleen te dragen.’

Maar ik wilde niet toegeven dat zij gelijk had gehad.

Jagoda vertrok uiteindelijk naar Amsterdam voor haar werk – of misschien voor Mark, dat weet ik nog steeds niet zeker.

Ik bleef achter in ons lege appartement, omringd door herinneringen aan wat ooit was en nooit meer zou zijn.

Soms vraag ik me af: had ik meer kunnen doen? Had ik harder moeten vechten voor ons? Of was dit altijd al ons lot?

Wat denken jullie? Is liefde genoeg om familie en verraad te overwinnen? Of zijn sommige wonden gewoon te diep?