Voordat ik voor altijd verdwijn…

‘Jeroen, je hoeft dit niet te doen!’ De stem van mijn moeder galmde over het perron van station Amersfoort, terwijl ik met trillende handen de rits van mijn oude sporttas dichttrok. Mijn vader stond een paar meter verderop, zijn gezicht strak, zijn ogen op de grond gericht. Ik voelde de blikken van de andere reizigers prikken in mijn rug, alsof iedereen getuige was van het drama dat zich hier voltrok.

‘Mam, alsjeblieft…’ Mijn stem brak. ‘Ik moet dit doen. Voor mezelf.’

Ze schudde haar hoofd, haar ogen rood van het huilen. ‘Je weet niet wat je achterlaat, jongen. Je weet niet wat je kapotmaakt.’

Mijn vader keek eindelijk op. ‘Laat hem gaan, Marijke. Hij is oud genoeg om zijn eigen fouten te maken.’

Die woorden sneden dieper dan ik had verwacht. Fouten maken. Was dat alles wat ik was? Een aaneenschakeling van verkeerde keuzes? Ik keek naar de klok boven het perron. Nog zeven minuten tot mijn trein naar Groningen zou vertrekken. Zeven minuten om alles wat ik kende achter te laten.

De afgelopen weken waren een hel geweest. Sinds mijn vader had opgebiecht dat hij een ander had – een vrouw uit zijn volleybalteam, nota bene – was ons gezin uit elkaar gevallen als een kaartenhuis. Mijn moeder had nachtenlang gehuild, mijn zusje Sanne was stil geworden, en ik… ik was boos. Boos op hem, op haar, op mezelf omdat ik niets kon veranderen.

‘Waarom doe je dit?’ vroeg Sanne zachtjes. Ze stond naast me, haar handen om haar telefoon geklemd alsof die haar kon redden van de werkelijkheid.

‘Omdat ik het niet meer trek thuis,’ fluisterde ik terug. ‘Elke dag ruzie, elke nacht geschreeuw… Ik kan niet meer.’

Ze knikte langzaam, haar ogen groot en glanzend. ‘Ik snap het wel. Maar ik ga je missen.’

Ik slikte de brok in mijn keel weg en trok haar in een omhelzing. ‘Ik jou ook, kleintje.’

Mijn vader kwam dichterbij, zijn schouders gebogen onder een onzichtbare last. ‘Jeroen…’ begon hij, maar ik hief mijn hand.

‘Nee pap. Niet nu. Je hebt genoeg gezegd.’

Hij knikte zwijgend en keek weg, naar de rails die zich als zilveren linten naar de horizon uitstrekten.

De trein kwam met een doffe dreun het station binnenrollen. Mensen begonnen te bewegen, koffers werden opgetild, kinderen aan de hand genomen. Mijn moeder greep mijn arm vast.

‘Beloof me dat je belt als je aankomt,’ snikte ze.

‘Dat beloof ik.’

Ik stapte in, draaide me nog één keer om en zag mijn familie daar staan: gebroken, verscheurd door geheimen en onuitgesproken woorden. De deuren sloten met een sissend geluid en langzaam gleed het perron uit beeld.

In de trein zocht ik een plek bij het raam en staarde naar het voorbijrazende landschap. Weilanden vol koeien, sloten die glinsterden in het ochtendlicht, dorpen waar mensen hun leven leidden alsof er niets aan de hand was.

Mijn telefoon trilde in mijn zak: een appje van Sanne. ‘Ik hou van je. Kom snel terug.’

Ik typte: ‘Ik hou ook van jou. Pas op mama.’

De trein stopte in Zwolle. Een vrouw met een huilende baby stapte in en ging tegenover me zitten. Ze glimlachte flauwtjes door haar tranen heen. Ik vroeg me af wat haar verhaal was. Iedereen draagt zijn eigen verdriet met zich mee.

In Groningen aangekomen voelde ik me leeg en verloren. Mijn studentenkamer was klein en kaal; een bed, een bureau, een kastje dat kraakte als je het opendeed. Ik gooide mijn tas op het bed en liet mezelf op de grond zakken.

De stilte was oorverdovend.

Die avond belde mijn moeder. Haar stem klonk breekbaar.

‘Ben je veilig aangekomen?’

‘Ja mam.’

‘Eet je wel goed?’

‘Ja mam.’

‘Jeroen…’ Ze aarzelde even. ‘Het spijt me dat het zo gelopen is.’

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Het was niet haar schuld. Of misschien toch wel? Had ze harder moeten vechten voor ons gezin? Of had ze juist eerder moeten loslaten?

De dagen werden weken. Ik probeerde te studeren – psychologie aan de RUG – maar mijn hoofd zat vol met thuis. Mijn vader stuurde af en toe een berichtje: ‘Hoe gaat het?’ of ‘Succes met je tentamens.’ Ik antwoordde meestal kortaf.

Op een avond zat ik met studiegenoten in de kroeg toen mijn telefoon ging. Sanne.

‘Mam is opgenomen in het ziekenhuis,’ fluisterde ze paniekerig. ‘Ze heeft iets genomen…’

De wereld kantelde onder mijn voeten vandaan.

Ik sprong op de trein terug naar Amersfoort, mijn hart bonzend in mijn keel. In het ziekenhuis lag mijn moeder bleek en stil onder witte lakens. Sanne zat naast haar bed, haar ogen rood en gezwollen.

Mijn vader stond aan het voeteneinde, zijn handen diep in zijn zakken.

‘Dit is jouw schuld!’ siste ik hem toe toen we even alleen waren op de gang.

Hij keek me aan met holle ogen. ‘Denk je dat ik dit wilde? Denk je dat ik niet elke nacht wakker lig van spijt?’

‘Had dan niet gelogen! Had dan niet alles kapotgemaakt!’

Hij draaide zich om en liep weg zonder iets te zeggen.

De dagen daarna waren een waas van ziekenhuisbezoeken en gesprekken met maatschappelijk werkers. Mijn moeder kwam langzaam bij, maar iets in haar was voorgoed gebroken.

Op een avond zat ik naast haar bed toen ze fluisterde: ‘Jeroen… vergeef hem alsjeblieft ooit. Voor jezelf.’

Ik huilde voor het eerst sinds maanden.

Terug in Groningen probeerde ik verder te gaan met mijn leven, maar alles voelde anders. Mijn studieresultaten kelderden, vrienden begrepen niet waarom ik zo afstandelijk was geworden.

Op een dag kreeg ik een brief van mijn vader:

‘Lieve Jeroen,
Ik weet dat ik veel fout heb gedaan en dat ik jouw vertrouwen heb beschaamd. Maar ik hoop dat je ooit begrijpt dat mensen soms verkeerde keuzes maken uit angst of eenzaamheid. Ik mis je elke dag.
Liefs,
Pap’

Ik vouwde de brief dicht en legde hem weg in mijn nachtkastje.

Soms denk ik terug aan die ochtend op het perron in Amersfoort – aan de tranen van mijn moeder, de stilte van mijn vader, de angst in Sanne’s ogen – en vraag ik me af: had ik iets anders kunnen doen? Had ik kunnen blijven vechten voor ons gezin?

Of is loslaten soms het enige wat overblijft?

Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen jezelf redden of je familie bij elkaar houden?