“Waarom ben je nooit trots op mij, mam?” – Een verhaal over familie, verlies en hoop
“Waarom ben je nooit trots op mij, mam?” Mijn stem trilde, maar ik kon het niet meer binnenhouden. Mijn moeder keek me aan, haar ogen koud als de Noordzee in november. “Jeroen, je weet best waarom. Je hebt alles verpest.”
Ik stond in de keuken van het oude huis in Amersfoort waar ik was opgegroeid. De geur van koffie hing zwaar in de lucht, maar het voelde alsof ik stikte. Mijn moeder, Marijke, had altijd een oordeel klaar. Mijn broer Bas was haar gouden kind – advocaat, getrouwd, twee kinderen, Volvo voor de deur. En ik? Ik was de zoon die zijn studie niet afmaakte, die met een gitaar door Europa trok en uiteindelijk terugkwam met lege handen en een gebroken hart.
Die ochtend was ik vroeg opgestaan. Ik had amper geslapen. Mijn vriendin Sophie had me de avond ervoor verlaten. Ze zei dat ze niet meer tegen mijn somberheid kon. “Je zuigt alle energie uit me,” had ze gehuild. Ik had haar niet tegengehouden. Misschien omdat ik diep vanbinnen wist dat ze gelijk had.
Toen ik thuiskwam bij mijn moeder, was het alsof ik weer zestien was. Alles wat ik deed was verkeerd. Zelfs de manier waarop ik mijn boterham smeerde. “Eerst de boter, dan de kaas, Jeroen! Hoe vaak moet ik het nog zeggen?”
Bas kwam binnen, zijn overhemd perfect gestreken. “Mam, ik moet straks naar kantoor. Kun je op de kinderen passen?”
“Tuurlijk, lieverd,” zei ze zacht. Haar stem werd altijd warmer als ze tegen Bas sprak.
Ik voelde me onzichtbaar. Alsof ik een schaduw was in mijn eigen huis.
Na het ontbijt liep ik naar buiten, de frisse lucht in. Ik stak een sigaret op en keek naar de grijze lucht boven de stad. Mijn gedachten tolden. Hoe was het zover gekomen? Waar was het misgegaan?
Mijn vader was jaren geleden overleden aan een hartaanval. Hij had altijd gezegd dat ik moest doen wat me gelukkig maakte. Maar na zijn dood werd alles anders. Mijn moeder werd harder, strenger. Alsof ze bang was dat ze ons ook nog kwijt zou raken.
Die middag kwam Bas weer langs, samen met zijn vrouw Linda en hun kinderen, Fleur en Daan. Fleur rende op me af en sloeg haar armpjes om mijn middel. “Oom Jeroen! Speel je gitaar voor me?”
Ik glimlachte zwakjes en knikte. Even voelde ik me weer iemand.
We zaten in de tuin toen Bas ineens begon over geld.
“Jeroen, mam maakt zich zorgen over jou. Je hebt geen vaste baan, geen huis… Hoe ga je ooit voor jezelf zorgen?”
Linda keek me aan met die blik die alles zei: medelijden vermengd met minachting.
“Ik red me wel,” zei ik zacht.
Bas zuchtte. “Je bent dertig, Jeroen.”
Mijn moeder kwam erbij staan. “Misschien kun je bij Bas op kantoor komen werken? Gewoon tijdelijk.”
Ik voelde woede opborrelen. “Ik wil niet op kantoor werken! Dat weten jullie toch?”
“Wat wil je dan wel?” vroeg Bas scherp.
Ik wist het niet meer.
Die avond lag ik op mijn oude bed, starend naar het plafond vol glow-in-the-dark sterren die ik als kind had opgeplakt. Ik dacht aan Sophie, aan mijn vader, aan alles wat ik verloren had.
De volgende ochtend besloot ik te gaan wandelen in het bos bij Soestduinen. De bomen waren kaal, hun takken als vingers die naar de hemel reikten. Ik liep urenlang, tot mijn voeten pijn deden en mijn hoofd leeg was.
Toen ik thuiskwam, zat mijn moeder aan tafel met een stapel oude fotoalbums.
“Kom eens zitten,” zei ze onverwacht zacht.
Ik ging tegenover haar zitten. Ze schoof een foto naar me toe: ik als kleine jongen, lachend op de schommel in onze tuin, mijn vader duwde me aan.
“Je was altijd zo vrolijk,” fluisterde ze.
“Ik weet niet meer hoe dat moet,” zei ik eerlijk.
Ze keek me aan en voor het eerst in jaren zag ik tranen in haar ogen.
“Ik ben bang om je kwijt te raken,” zei ze zacht.
We zaten daar samen, zwijgend, terwijl buiten de regen tegen het raam tikte.
De dagen daarna probeerde ik kleine dingen te veranderen. Ik zocht contact met oude vrienden – Mark uit Utrecht, die nu muziekleraar was; Sanne uit Groningen, die vrijwilligerswerk deed bij een opvang voor daklozen.
Mark nodigde me uit om mee te spelen tijdens een open mic-avond in een café in Utrecht. Ik twijfelde, maar ging toch.
Die avond voelde ik voor het eerst sinds tijden weer iets van hoop. Het publiek klapte na mijn liedje – een nummer dat ik voor Sophie had geschreven – en iemand kwam naar me toe om te vragen of ik vaker wilde optreden.
Langzaam begon er iets te veranderen. Ik vond een parttime baantje bij een muziekwinkel in Amersfoort en gaf gitaarles aan kinderen uit de buurt.
Mijn moeder bleef kritisch, maar soms zag ik een glimp van trots in haar ogen als ze hoorde dat een leerling enthousiast over mij vertelde.
Op een dag kwam Bas langs terwijl ik gitaarles gaf aan Fleur en Daan. Hij bleef in de deuropening staan kijken.
Na afloop zei hij: “Misschien heb ik je onderschat.”
Het was geen verontschuldiging, maar het was iets.
Sophie hoorde via-via dat het beter met me ging en stuurde me een berichtje: “Ik ben blij dat je weer muziek maakt.”
We spraken af voor koffie. Het was ongemakkelijk, maar ook vertrouwd. We praatten over vroeger, over wat misging – en over wat misschien nog mogelijk was.
Mijn moeder werd ziek die winter – longontsteking. Ze lag wekenlang in het ziekenhuis. Bas en ik wisselden elkaar af aan haar bed.
Op een avond zat ik alleen bij haar toen ze wakker werd.
“Jeroen… Vergeef me alsjeblieft,” fluisterde ze zwak.
Ik pakte haar hand vast. “Ik vergeef je, mam.”
Ze glimlachte flauwtjes en viel weer in slaap.
Ze kwam er bovenop – langzaam, maar zeker. Toen ze thuiskwam, stond er een bos bloemen op tafel van mij en Bas samen.
We aten samen stamppot zoals vroeger en lachten om oude verhalen.
Het leven werd niet perfect – dat is het nooit geweest – maar er kwam ruimte voor iets nieuws: begrip, vergeving, hoop.
Soms zit ik nog steeds op mijn oude kamer en vraag ik me af: hoeveel moet je verliezen voordat je jezelf vindt? En is familie iets waar je altijd naar terug kunt keren – of moet je soms eerst jezelf vergeven voordat je anderen kunt begrijpen?