Wakker worden en zet koffie voor me: Hoe de broer van mijn man ons leven op z’n kop zette
‘Sanne, waar blijft die koffie nou?’
Het was nog geen acht uur ’s ochtends en Daan’s stem galmde al door het huis. Ik stond in de keuken, mijn handen trilden licht terwijl ik de filter in het koffiezetapparaat schoof. Mijn man, Mark, zat aan tafel met zijn telefoon, nauwelijks opkijkend van het scherm. Daan, zijn oudere broer, was nu al bijna twee weken bij ons. Oorspronkelijk zou hij alleen het weekend blijven, maar na een ruzie met zijn vriendin had hij geen plek meer om heen te gaan. Mark had meteen aangeboden dat hij bij ons kon blijven. ‘Voor zolang het nodig is,’ had hij gezegd. Ik had geknikt, niet wetend dat ‘zo lang als nodig’ een eindeloos begrip kon zijn.
‘Sanne, ik heb je wat gevraagd,’ klonk het weer, nu met een zucht die door merg en been ging. Ik voelde hoe mijn kaken zich aanspanden. ‘De koffie komt eraan, Daan,’ antwoordde ik zo beheerst mogelijk. Mark keek even op, glimlachte flauwtjes naar zijn broer en zei: ‘Rustig aan, Daantje. Sanne heeft ook maar twee handen.’
Daan rolde met zijn ogen. ‘Ja, maar als je hier logeert mag je toch wel een beetje service verwachten?’
Ik slikte mijn frustratie weg en zette de koffie op tafel. Daan pakte zijn mok zonder dankjewel te zeggen en begon meteen te klagen over de temperatuur. ‘Te heet,’ mompelde hij.
Die ochtend voelde als een herhaling van de dagen ervoor. Daan eiste aandacht, hulp en vooral: dat alles om hem draaide. Hij liet zijn vuile was slingeren, commandeerde me alsof ik zijn huishoudster was en maakte grappen ten koste van mij waar Mark soms om lachte. Ik voelde me steeds kleiner worden in mijn eigen huis.
’s Avonds, toen Daan eindelijk naar boven ging om te bellen met zijn ex-vriendin, zat ik met Mark op de bank. ‘Hoe lang blijft hij nog?’ vroeg ik zachtjes.
Mark zuchtte. ‘Hij heeft het moeilijk, Sanne. Je weet hoe hij is als dingen niet gaan zoals hij wil.’
‘Ja, dat weet ik,’ zei ik. ‘Maar dit is óns huis. Ik voel me hier niet meer thuis.’
Mark keek me aan met die blik die hij altijd heeft als hij zich ongemakkelijk voelt: schouders opgetrokken, ogen afgewend. ‘Het is tijdelijk. Geef hem nog even.’
Die nacht lag ik wakker naast Mark, luisterend naar het zachte gesnurk van Daan in de kamer naast ons. Mijn gedachten tolden. Was ik egoïstisch? Had ik geen begrip voor familie? Of was dit gewoon te veel gevraagd?
De dagen daarop werd het alleen maar erger. Daan begon zich te bemoeien met alles: wat we aten, welke programma’s we keken, zelfs hoe ik mijn werk indeelde als ik thuiswerkte. Op een ochtend kwam ik beneden en zag dat hij mijn laptop gebruikte zonder te vragen.
‘Daan! Dat is mijn werkcomputer!’ riep ik uit.
Hij keek niet eens op van het scherm. ‘Relax, ik moest even iets regelen voor m’n uitkering.’
Ik voelde woede opborrelen die ik nauwelijks kon bedwingen. ‘Vraag het voortaan gewoon even.’
Hij haalde zijn schouders op en tikte verder.
’s Avonds probeerde ik opnieuw met Mark te praten. ‘Dit kan zo niet langer,’ zei ik. ‘Hij respecteert geen enkele grens.’
Mark keek me vermoeid aan. ‘Wat wil je dat ik doe? Hem op straat zetten?’
‘Nee,’ zei ik, ‘maar misschien kun je hem duidelijk maken dat dit óns huis is en dat hij zich als gast moet gedragen.’
Mark knikte langzaam, maar ik zag aan alles dat hij het gesprek liever uit de weg ging.
De volgende dag kwam de bom tot ontploffing. Ik kwam thuis van een lange werkdag en zag dat Daan met zijn voeten op tafel zat, chips etend terwijl er overal kruimels lagen. Mijn favoriete vaas lag in scherven op de grond.
‘Wat is hier gebeurd?’ vroeg ik scherp.
Daan keek nonchalant op. ‘Oh, die vaas? Die viel om toen ik opstond. Was toch maar een lelijk ding.’
Ik voelde iets in mij knappen. ‘Daan, dit is genoeg! Je bent hier te gast en je gedraagt je als een tiran! Je hebt geen respect voor mij of voor ons huis!’
Daan lachte spottend. ‘Doe eens rustig joh, Sanne. Je doet alsof je koningin bent hier.’
Op dat moment kwam Mark binnen. Hij keek van mij naar Daan en weer terug.
‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg hij voorzichtig.
‘Jouw broer heeft mijn vaas kapotgemaakt en vindt dat blijkbaar normaal!’ riep ik uit.
Mark draaide zich naar Daan. ‘Daan… kun je misschien iets voorzichtiger zijn? Sanne hecht waarde aan haar spullen.’
Daan stond op en gooide zijn lege chipszak op tafel. ‘Weet je wat? Als jullie me zo zat zijn, ga ik wel weg!’
Er viel een ongemakkelijke stilte.
‘Misschien is dat inderdaad beter,’ zei ik zachtjes.
Daan keek Mark aan, die zichtbaar worstelde met zijn gevoelens. Uiteindelijk pakte Daan zijn jas en liep zonder om te kijken de deur uit.
Die nacht was het stil in huis. Mark zat zwijgend aan tafel terwijl ik probeerde de scherven van mijn vaas bij elkaar te rapen.
‘Het spijt me,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ik had eerder moeten ingrijpen.’
Ik knikte alleen maar. De schade was al gedaan – niet alleen aan mijn vaas, maar ook aan ons vertrouwen in elkaar.
De weken daarna probeerden we de draad weer op te pakken, maar er hing iets tussen ons wat er daarvoor niet was geweest: een gevoel van afstand, van onuitgesproken verwijten.
Soms vraag ik me af: hoeveel kun je geven voordat je jezelf verliest? En wanneer is het tijd om voor jezelf te kiezen – zelfs als dat betekent dat je iemand anders pijn doet?