Wanneer familie verstikt: Mijn strijd om grenzen en mijn eigen leven terug te winnen
‘Marloes, je moet nu echt even luisteren!’ De stem van mijn schoonmoeder, Ans, galmt door de telefoon alsof ze naast me in de keuken staat. Mijn handen trillen terwijl ik de vaatdoek uitwring. ‘Het is alweer drie weken geleden dat jullie langs zijn geweest. En je weet dat je schoonzusje haar rijbewijs heeft gehaald, dat moet gevierd worden. Jullie komen toch wel?’
Ik slik. ‘Ans, we hebben het druk met de kinderen en werk. Misschien kunnen we volgende week—’
‘Nee, Marloes. Het is belangrijk voor de familie. Je weet hoe gevoelig Sanne is.’
Ik hoor het zuchten van mijn man, Jeroen, die aan de keukentafel zit met zijn laptop. Hij kijkt me niet aan. Ik voel de spanning in mijn schouders trekken, alsof ik een zware jas draag die ik niet uit kan doen.
‘Ik bel je straks terug, Ans,’ zeg ik zacht en verbreek het gesprek. Jeroen kijkt op, zijn blik vermijdend. ‘Wat moest ze nu weer?’
‘Of we zondag komen. Sanne’s rijbewijs.’
Hij zucht diep. ‘Kunnen we niet gewoon gaan? Het is makkelijker dan deze discussie elke keer.’
Mijn hart bonkt in mijn keel. ‘Jeroen, het is altijd iets. Elke week is er wel een reden waarom we moeten komen, moeten helpen, moeten betalen. Wanneer is het genoeg?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Het is familie.’
Die avond lig ik wakker naast Jeroen, die rustig ademhaalt in zijn slaap. Ik staar naar het plafond en voel de tranen prikken achter mijn ogen. Sinds onze verhuizing naar Amersfoort, dichter bij zijn familie, lijkt mijn leven niet meer van mij te zijn. Mijn eigen ouders wonen in Groningen; ze bellen af en toe, maar bemoeien zich nooit zo intensief.
De volgende ochtend probeer ik het gesprek opnieuw aan te gaan tijdens het ontbijt.
‘Jeroen, ik trek dit niet meer. Elke keer als je moeder belt, voel ik me schuldig als ik nee zeg en schuldig als ik ja zeg. Het lijkt wel alsof we geen eigen leven meer hebben.’
Hij kijkt me aan, zijn ogen moe. ‘Wat wil je dan? Dat ik ruzie krijg met mijn moeder?’
‘Nee… Ik wil gewoon dat jij ook eens voor ons kiest. Voor onze rust.’
Hij zwijgt en kijkt naar zijn koffie.
Op mijn werk bij de bibliotheek kan ik me nauwelijks concentreren. De woorden dansen voor mijn ogen terwijl ik boeken scan en klanten help. Mijn collega Linda merkt het.
‘Gaat het wel?’ vraagt ze voorzichtig.
Ik knik, maar de tranen branden weer. ‘Het is gewoon… thuis. Altijd die druk van Jeroens familie.’
Linda legt haar hand op mijn arm. ‘Je mag best grenzen stellen, hoor. Je bent geen robot.’
Die avond besluit ik een brief te schrijven aan mezelf:
Lieve Marloes,
Je mag kiezen voor jezelf. Je mag nee zeggen zonder schuldgevoel.
Maar als ik thuiskom, zit Jeroens broer Mark aan onze keukentafel.
‘Hee Marloes! Heb je misschien wat geld te leen? Mijn auto moet naar de garage en…’
Ik voel hoe mijn gezicht verstrakt. ‘Mark, we hebben het zelf ook niet breed deze maand.’
Hij lacht ongemakkelijk. ‘Ach joh, jullie hebben altijd alles zo goed voor elkaar.’
Jeroen zegt niets, kijkt alleen maar naar zijn telefoon.
‘Sorry Mark,’ zeg ik ferm. ‘Dit keer niet.’
Hij kijkt verbaasd, bijna gekwetst. ‘Nou ja zeg…’ Hij pakt zijn jas en vertrekt zonder iets te zeggen.
Die nacht barst de bom tussen Jeroen en mij.
‘Waarom doe je zo bot tegen mijn familie?’ roept hij gefrustreerd.
‘Omdat ze altijd iets van ons willen! Wanneer vragen ze jou eens hoe het met jou gaat? Of met mij?’
Hij zwijgt en loopt boos naar de logeerkamer.
De dagen daarna is het ijzig stil in huis. De kinderen merken het ook; onze dochter Lotte vraagt: ‘Mama, waarom is papa zo stil?’
Ik slik mijn tranen weg en knuffel haar stevig.
Op vrijdagavond belt Ans weer.
‘Marloes, ik hoor dat Mark langs is geweest. Wat is er gebeurd?’ Haar stem klinkt scherp.
‘Ans, we kunnen niet altijd iedereen helpen. We hebben ook ons eigen gezin.’
Ze snuift. ‘Vroeger hielpen we elkaar gewoon zonder te klagen.’
‘Misschien was dat vroeger zo, maar nu trek ik het niet meer.’ Mijn stem trilt.
Er valt een lange stilte aan de andere kant van de lijn.
‘Ik begrijp het niet,’ zegt ze uiteindelijk koel.
Na het gesprek voel ik me leeg en schuldig tegelijk. Maar ergens ook opgelucht: voor het eerst heb ik echt mijn grens aangegeven.
Jeroen blijft afstandelijk. We praten nauwelijks nog met elkaar; alles draait om de kinderen en praktische zaken.
Op een avond zit ik alleen op de bank met een kop thee als Lotte naast me kruipt.
‘Mama, ben je verdrietig?’
Ik knik en trek haar tegen me aan.
‘Soms wel, lieverd. Maar soms moet je voor jezelf zorgen, ook al vinden anderen dat niet leuk.’
Ze knikt alsof ze het begrijpt en legt haar hoofd op mijn schouder.
Een week later komt Jeroen thuis van zijn werk en gaat naast me zitten.
‘Het spijt me,’ zegt hij zacht. ‘Ik zie nu pas hoe zwaar je het hebt gehad al die tijd.’
De tranen stromen over mijn wangen terwijl hij me vasthoudt.
‘Misschien moeten we samen nieuwe grenzen stellen,’ fluistert hij.
Langzaam keert er rust terug in huis. Ans belt minder vaak; Mark zoekt hulp bij anderen. Het blijft soms moeilijk – familiebanden zijn taai – maar voor het eerst in jaren voel ik ruimte om adem te halen.
Soms vraag ik me af: waarom is het zo moeilijk om voor jezelf te kiezen als iedereen iets van je verwacht? En wie ben je nog als je altijd alleen maar geeft?