Wanneer thuis geen thuis meer is: Een vader, een keuze en de scherven van het verleden
‘Je meent dit niet, pap! Je zet ons gewoon op straat?’
Martijns stem trilt van woede en ongeloof. Ik sta in de deuropening van de woonkamer, mijn handen verkrampt om de leuning van de stoel. Sanne, zijn vriendin, zit op de bank met haar handen beschermend over haar zwangere buik. Haar ogen zijn rood van het huilen.
‘Martijn, ik… Ik kan niet anders. Jullie betalen al maanden geen huur, en ik kan het financieel niet meer dragen. Het spijt me, maar dit huis is ook mijn thuis. Ik heb geen keuze.’ Mijn stem klinkt schor, alsof ik mezelf probeer te overtuigen.
‘Geen keuze? Je hebt altijd een keuze!’ Martijns gezicht vertrekt. ‘Weet je wat? Kom, Sanne. We zoeken het zelf wel uit.’
Ze lopen langs me heen, Sanne met haar jas half over haar schouders, Martijn met een plastic tas vol haastig ingepakte spullen. De deur slaat dicht. Het geluid galmt na in het huis dat ineens veel te groot en leeg aanvoelt.
Ik zak neer op de stoel en staar naar de foto’s op de schouw: Martijn als kleine jongen op het strand van Scheveningen, Sanne lachend naast hem tijdens Koningsdag vorig jaar. Mijn keel knijpt dicht. Wat heb ik gedaan?
De dagen daarna zijn een waas van stilte en schaamte. Op mijn werk bij de gemeente kan ik me nauwelijks concentreren. Collega’s vragen of er iets is, maar ik wuif het weg. ‘Gewoon moe,’ zeg ik. Maar ’s avonds thuis hoor ik alleen het tikken van de klok en het kraken van het oude huis.
Mijn ex-vrouw, Marleen, belt. ‘Wat heb je in godsnaam gedaan, Erik? Martijn slaapt bij vrienden, Sanne is bij haar moeder in Almere. Ze is zeven maanden zwanger! Hoe kun je zo hard zijn?’
‘Ik weet het niet meer, Marleen,’ fluister ik. ‘Het werd me allemaal te veel. De rekeningen stapelen zich op, en zij… ze leken zich nergens druk om te maken.’
‘Misschien hadden ze hulp nodig in plaats van een schop onder hun kont,’ snauwt ze terug.
Na het gesprek blijf ik nog lang naar het scherm van mijn telefoon staren. Ik voel me leeg en oud.
Op een regenachtige donderdagavond word ik gebeld door een onbekend nummer. ‘Met Erik,’ mompel ik.
‘Pap?’ Het is Martijn. Zijn stem klinkt klein en gebroken.
‘Martijn! Hoe gaat het met je? Waar ben je?’
‘Ik weet het niet meer, pap. Alles gaat mis. Sanne heeft vannacht voorweeën gekregen, ze ligt in het ziekenhuis. Ik… Ik weet niet wat ik moet doen.’
Mijn hart slaat over. ‘Ik kom eraan,’ zeg ik zonder na te denken.
Onderweg naar het ziekenhuis razen de gedachten door mijn hoofd. Had ik dit kunnen voorkomen? Had ik beter moeten luisteren? De regen slaat tegen de voorruit terwijl ik mezelf vervloek om mijn koppigheid.
In het ziekenhuis vind ik Martijn op een plastic stoel in de gang. Zijn ogen zijn rood, zijn handen trillen.
‘Pap…’
Ik sla mijn armen om hem heen en voel hoe hij zich tegen me aan drukt, zoals vroeger toen hij als kind bang was voor onweer.
‘Het spijt me zo,’ fluister ik in zijn haar.
Hij snikt zachtjes. ‘Ik had je nooit moeten uitschelden. Maar we waren zo wanhopig…’
‘Ik had jullie nooit weg moeten sturen.’
We zitten zwijgend naast elkaar tot een verpleegkundige ons roept. Sanne is stabiel, maar ze moet voorlopig blijven ter observatie.
De dagen daarna probeer ik alles goed te maken wat ik heb aangericht. Ik breng schone kleren voor Sanne, maak soep voor Martijn en slaap op een matras in hun tijdelijke flatje in een buitenwijk van Utrecht. Maar de spanning blijft tussen ons hangen als een mist die niet optrekt.
Op een avond zit ik met Martijn aan tafel. Hij staart naar zijn handen.
‘Pap… Waarom was je altijd zo streng voor mij? Waarom moest alles altijd volgens jouw regels?’
Ik zucht diep. ‘Omdat ik bang was dat je dezelfde fouten zou maken als ik vroeger. Ik wilde je beschermen, maar misschien heb ik je juist weggeduwd.’
Martijn kijkt me aan met vochtige ogen. ‘Ik had gewoon willen dat je trots op me was, pap.’
Mijn hart breekt opnieuw. ‘Dat ben ik ook, Martijn. Al vanaf het begin.’
De geboorte van mijn kleindochter Lotte brengt ons langzaam weer dichter bij elkaar. Als ik haar voor het eerst vasthoud, voel ik iets verschuiven in mij – een sprankje hoop dat we samen verder kunnen.
Toch blijft er iets knagen. De schuld over mijn beslissing blijft als een schaduw achter me aanlopen.
Soms vraag ik me af: hoeveel schade kan één verkeerde keuze aanrichten? En is liefde genoeg om alles weer te helen?
Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond? Kan een vader ooit écht vergeven worden?