Ze nam alles af, zelfs de waterkoker: Mijn strijd met mijn schoonmoeder die ons huwelijk verwoestte
‘Je overdrijft weer, Eva. Ze bedoelt het alleen maar goed.’
De woorden van Mark snijden door me heen als een mes. Ik sta in onze kleine keuken in Utrecht, mijn handen trillend om de rand van het aanrecht. Buiten regent het zachtjes, maar binnen stormt het. Mijn schoonmoeder, Ria, zit in de woonkamer met haar kopje thee – uit mijn favoriete mok, die ze zonder te vragen uit de kast heeft gepakt. Alles wat van mij was, lijkt langzaam te verdwijnen.
‘Mark, ze heeft gisteren mijn dagboek gevonden en gelezen. Ze vroeg me zelfs waarom ik zulke dingen over haar opschrijf!’ Mijn stem slaat over. Ik voel me naakt, verraden in mijn eigen huis.
Mark zucht. ‘Ze is gewoon nieuwsgierig. Je weet hoe ze is.’
Maar ik weet het niet. Of misschien wil ik het niet weten. Toen Ria drie maanden geleden haar heup brak en tijdelijk bij ons introk, dacht ik dat ik haar kon helpen. Maar nu voelt het alsof ze alles overneemt: mijn routines, mijn spullen, zelfs mijn gedachten.
Het begon klein. Een theedoek die ineens weg was. Mijn lievelingsplant die opeens op haar kamer stond. Maar toen ik op een avond thuiskwam en zag dat ze onze waterkoker had meegenomen naar haar kamer – ‘voor het gemak’, zei ze – wist ik dat dit geen toeval meer was.
‘Eva, je moet haar gewoon wat ruimte geven,’ zegt Mark terwijl hij zijn jas aantrekt. ‘Ze is oud, ze heeft het moeilijk.’
‘En ik dan?’ fluister ik. Maar hij hoort me niet meer; de deur valt dicht.
’s Avonds lig ik wakker naast Mark, die zachtjes snurkt. Ik hoor Ria schuifelen op haar pantoffels door de gang. Mijn hart bonkt in mijn keel. Ik voel me een indringer in mijn eigen huis.
De volgende ochtend vind ik een briefje op de keukentafel: “Eva, ik heb de koffiemachine even meegenomen naar mijn kamer. Het lawaai stoort me ’s ochtends.”
Ik lach schamper. Het is niet eens meer subtiel.
Op een dag komt mijn zus Merel langs. Ze kijkt me aan met die blik die alles zegt.
‘Je ziet eruit alsof je niet geslapen hebt,’ zegt ze zacht.
Ik barst in tranen uit. ‘Ze neemt alles over, Merel. Zelfs Mark lijkt haar kant te kiezen.’
Merel slaat een arm om me heen. ‘Je moet je grenzen aangeven, Eva. Dit kan zo niet langer.’
Maar hoe doe je dat als niemand je gelooft? Als je eigen man denkt dat je overdrijft?
Die avond probeer ik met Mark te praten. ‘Ik voel me niet meer thuis in ons huis,’ zeg ik voorzichtig.
Hij kijkt me vermoeid aan. ‘Kunnen we het er morgen over hebben? Ik ben kapot.’
Morgen. Altijd morgen.
De volgende dag tref ik Ria in de keuken terwijl ze mijn favoriete bord inpakt in een doos.
‘Wat doe je?’ vraag ik scherp.
Ze kijkt me aan met die kille blik. ‘Dit bord is van mij, Eva. Ik heb het jaren geleden aan Mark gegeven.’
‘Maar…’
‘Je moet leren delen,’ onderbreekt ze me.
Ik voel woede opborrelen, maar ook machteloosheid. Ik ben opgegroeid in een warm gezin in Amersfoort waar iedereen zijn plek had en respect voor elkaar toonde. Hier lijkt alles om haar te draaien.
’s Avonds zit ik alleen aan tafel met een kop thee – uit een glas, want alle mokken zijn verdwenen naar Ria’s kamer. Mark komt thuis en kijkt nauwelijks op van zijn telefoon.
‘Heb je met haar gepraat?’ vraag ik voorzichtig.
Hij haalt zijn schouders op. ‘Ze bedoelt het niet kwaad.’
‘Maar Mark…’
‘Laat het nou gewoon even rusten, Eva!’ schreeuwt hij ineens. Ik schrik van zijn toon.
De dagen worden weken. Ria’s aanwezigheid vult elk hoekje van het huis. Ze bemoeit zich met alles: wat we eten, wanneer we slapen, zelfs hoe we praten tegen elkaar.
Op een avond hoor ik haar fluisteren tegen Mark als ze denken dat ik slaap: ‘Je verdient beter dan dit, jongen.’
Mijn hart breekt.
Ik probeer steun te zoeken bij vrienden, maar iedereen zegt hetzelfde: ‘Het is tijdelijk, Eva. Ze gaat vast snel weer naar huis.’ Maar wat als dat niet zo is?
Op een dag kom ik thuis en vind ik de woonkamer leeggeruimd. Mijn boeken zijn weg, foto’s van onze bruiloft verdwenen van de schouw.
‘Waar zijn al mijn spullen?’ vraag ik paniekerig aan Ria.
Ze glimlacht kil. ‘Ik heb wat opgeruimd. Het was zo rommelig.’
Mark komt binnen en kijkt ongemakkelijk weg.
‘Vind je dit normaal?’ vraag ik hem wanhopig.
Hij zegt niets.
Die nacht pak ik mijn tas en ga naar Merel. Ik kan niet meer.
Twee weken later belt Mark me op. Zijn stem klinkt gebroken.
‘Mam is weer naar huis,’ zegt hij zachtjes. ‘Het spijt me, Eva.’
Maar het is te laat. Iets in mij is kapotgegaan wat niet meer te lijmen valt.
Soms loop ik langs ons oude huis en vraag ik me af: had ik harder moeten vechten? Of was dit onvermijdelijk? Hoeveel kun je verdragen voordat je jezelf verliest?