‘Je bent geen goede huisvrouw’ – Mijn strijd als Nederlandse vrouw tegen verwachtingen en voor mezelf
‘Je bent geen goede huisvrouw, Sanne.’
Die woorden galmen nog steeds na in mijn hoofd, zelfs nu ik hier aan de keukentafel zit, mijn handen trillend om een kop lauwe thee. Het was niet eens mijn man, Mark, die het rechtstreeks tegen mij zei. Nee, het was zijn moeder, Trudy, die het hem influisterde, en hij bracht het als een boodschap over, alsof het een onvermijdelijke waarheid was die ik maar moest accepteren.
‘Sanne, mam vindt dat het huis altijd een beetje rommelig is als ze langskomt. Misschien kun je daar iets aan doen?’
Ik voelde hoe mijn wangen rood werden, een mengeling van schaamte en woede. ‘Dus… jij vindt dat ook?’ vroeg ik, mijn stem trillend.
Mark haalde zijn schouders op. ‘Ik zeg alleen wat mam zei. Je weet hoe zij is. Ze bedoelt het goed.’
Maar het voelde niet goed. Het voelde als een dolk in mijn rug. Sinds die dag is er iets veranderd. Ik kijk anders naar de stapels was, de kruimels op de vloer, de onafgemaakte klusjes. Alles lijkt een oordeel over mij te zijn. En elke keer als Trudy op bezoek komt, voel ik haar ogen over de vensterbank glijden, haar mondhoeken licht opgetrokken in een glimlach die meer zegt dan duizend woorden.
‘Heb je het druk gehad, Sanne?’ vraagt ze dan, terwijl ze haar jas ophangt. ‘Of ben je gewoon niet zo van het huishouden?’
Ik lach het weg, maar vanbinnen kook ik. Ik werk vier dagen per week op de basisschool, zorg voor onze twee kinderen, en probeer daarnaast ook nog een beetje tijd voor mezelf te vinden. Maar blijkbaar is dat niet genoeg. Blijkbaar moet ik óók nog een perfect huis hebben, altijd een verse appeltaart op tafel, en een glimlach die nooit verdwijnt.
Op een avond, als de kinderen eindelijk slapen, barst ik uit. ‘Waarom moet ik altijd alles doen, Mark? Waarom is het nooit goed genoeg?’
Hij zucht. ‘Je overdrijft. Iedereen heeft het druk. Maar als je het huis gewoon een beetje bijhoudt, is er niks aan de hand.’
‘En jij dan? Jij laat je sokken overal slingeren, je helpt nooit met de was, en als ik vraag om de afwas te doen, doe je het met tegenzin. Maar als jouw moeder iets zegt, dan moet ik veranderen?’
Hij kijkt me aan, zijn ogen koud. ‘Je hoeft niet zo emotioneel te doen. Het is gewoon een feit. Je bent geen goede huisvrouw.’
Die nacht lig ik wakker. Ik denk aan mijn moeder, die altijd zei dat vrouwen alles moesten kunnen: werken, zorgen, mooi zijn, en vooral niet klagen. Maar ik ben moe. Ik ben zo moe van het proberen, van het voldoen aan verwachtingen die nooit van mij zijn geweest.
De volgende ochtend, als ik de kinderen naar school breng, zie ik andere moeders. Sommigen zien er fris en vrolijk uit, anderen hebben wallen onder hun ogen en een vlek op hun trui. Ik vraag me af: voelen zij zich ook zo? Praten zij erover, of slikken ze het net als ik in?
Op het schoolplein komt Linda naar me toe, een vriendin die ik al jaren ken. ‘Gaat het wel, Sanne? Je ziet er moe uit.’
Ik wil zeggen dat het goed gaat, maar in plaats daarvan barst ik in tranen uit. Linda slaat haar arm om me heen. ‘Kom vanavond bij mij eten. Even eruit, goed?’
Die avond, aan Linda’s keukentafel, vertel ik alles. Over Mark, over Trudy, over het gevoel dat ik altijd tekortschiet. Linda luistert, knikt, en zegt dan: ‘Je bent niet alleen, Sanne. Mijn schoonmoeder is net zo. En mijn man snapt het ook niet. Maar weet je? Het is niet jouw taak om iedereen gelukkig te maken.’
Die woorden blijven hangen. Het is niet mijn taak om iedereen gelukkig te maken. Maar waarom voelt het dan alsof ik faal als ik dat niet doe?
De weken daarna probeer ik het anders te doen. Ik laat de was liggen als ik moe ben. Ik koop een kant-en-klare taart als Trudy op bezoek komt. En als Mark moppert, zeg ik: ‘Doe het zelf maar als je het zo belangrijk vindt.’
Maar het blijft knagen. Op een zondagmiddag, als we met zijn allen aan tafel zitten, begint Trudy weer. ‘Vroeger, toen ik jong was, was het huis altijd spic en span. Ik snap niet dat jonge vrouwen tegenwoordig zo weinig tijd hebben voor het huishouden.’
Ik voel hoe mijn handen trillen. ‘Misschien omdat we ook werken, Trudy. En omdat we niet allemaal een man hebben die alles voor ons regelt.’
Mark kijkt me boos aan. ‘Doe normaal, Sanne. Je hoeft niet zo fel te doen.’
‘Ik ben het zat,’ zeg ik, mijn stem breekt. ‘Ik ben het zat om altijd de schuld te krijgen. Ik doe mijn best, maar het is nooit genoeg. Misschien moet jij eens proberen om alles te doen, Mark. Misschien begrijp je het dan.’
Er valt een pijnlijke stilte. De kinderen kijken ongemakkelijk naar hun bord. Trudy schudt haar hoofd. ‘Vroeger hadden we respect voor onze mannen. We klaagden niet zo.’
Ik sta op, mijn stoel schuift met een schurend geluid naar achteren. ‘Misschien is het tijd dat er iets verandert. Misschien is het tijd dat ik voor mezelf kies.’
Die avond slaap ik op de bank. Mark zegt geen woord. De volgende ochtend pakt hij zijn spullen en vertrekt naar zijn moeder. Ik voel me leeg, maar ook opgelucht. Voor het eerst in jaren hoef ik niet te doen alsof.
De dagen daarna zijn zwaar. De kinderen vragen waar papa is. Ik probeer eerlijk te zijn, zonder hen te belasten. ‘Papa en mama hebben even tijd voor zichzelf nodig,’ zeg ik. Maar als ik alleen ben, huil ik. Ik huil om alles wat ik heb geprobeerd, om alles wat ik heb opgeofferd, en om het feit dat het nooit genoeg was.
Linda komt vaak langs. Ze helpt met de kinderen, brengt soep, en luistert. ‘Je bent sterker dan je denkt, Sanne,’ zegt ze. ‘Je hoeft niet perfect te zijn. Je bent goed genoeg zoals je bent.’
Langzaam begin ik het te geloven. Ik vind een ritme dat bij mij past. Het huis is niet altijd netjes, maar het is warm en vol liefde. De kinderen lachen weer. En ik? Ik begin mezelf terug te vinden. Niet als huisvrouw, niet als perfecte moeder, maar als Sanne. Gewoon Sanne.
Soms denk ik terug aan die ene zin. ‘Je bent geen goede huisvrouw.’ Misschien klopt dat. Maar misschien is dat ook niet het belangrijkste. Misschien is het belangrijker om gelukkig te zijn, om jezelf te zijn, en om te durven zeggen: dit is wie ik ben.
Dus vraag ik me af: hoeveel vrouwen voelen zich nog steeds gevangen in verwachtingen die niet van hen zijn? En wanneer durven we eindelijk te zeggen: het is genoeg geweest?