De Scherven van Mijn Gezin – Een Zoon Overleeft Ontrouw en Verlating

‘Waarom heb je het gedaan, mam? Waarom?’ Mijn stem trilt, mijn handen zijn tot vuisten gebald op de keukentafel. Mijn moeder kijkt me niet aan. Ze staart naar haar kopje thee, alsof daar het antwoord in drijft. Buiten regent het zachtjes tegen het raam; binnen is het stil, op het tikken van de klok na.

Ik was twaalf toen alles kapotging. Het was een gewone dinsdagavond in ons rijtjeshuis in Amersfoort. Mijn vader, Kees, kwam vroeger thuis dan normaal. Hij had een envelop in zijn hand en zijn gezicht was wit als kalk. Mijn moeder, Marjan, stond in de keuken te koken. Ik zat aan tafel huiswerk te maken, mijn zusje Lotte speelde met haar poppen.

‘Marjan, wat is dit?’ vroeg mijn vader met een stem die ik nog nooit had gehoord. Hij hield de envelop omhoog. Mijn moeder verstijfde. Ik voelde de spanning als een koude golf door de kamer trekken.

‘Kees…’ begon ze, maar hij onderbrak haar. ‘Hoe lang al?’

Ik begreep niet wat er gebeurde, maar ik voelde dat alles anders werd. Mijn moeder begon te huilen. Mijn vader gooide de envelop op tafel; foto’s gleden eruit. Ik zag een man die ik niet kende, zijn arm om mijn moeder heen. Ze lachte op die foto’s zoals ik haar al jaren niet had zien lachen.

Die nacht sliep ik niet. Ik hoorde mijn ouders fluisteren, ruziën, huilen. De volgende ochtend was mijn vader weg. Zijn koffer stond niet meer in de gang. Lotte vroeg waar papa was, maar mama zei alleen: ‘Papa moet even nadenken.’

Vanaf dat moment veranderde alles. Mijn moeder werd stil en afwezig. Ze vergat soms te koken, vergat Lotte op te halen van school. Ik probeerde sterk te zijn voor mijn zusje, maar ik voelde me verscheurd van binnen. Op school kon ik me niet concentreren; mijn cijfers kelderden. Mijn vrienden begrepen niet waarom ik zo snel boos werd of ineens begon te huilen.

De weken werden maanden. Mijn vader belde soms, maar kwam nooit langs. Op een dag vond ik hem op het station, zittend op een bankje met zijn hoofd in zijn handen. ‘Waarom kom je niet naar huis?’ vroeg ik hem.

Hij keek me aan met rode ogen. ‘Sommige dingen kun je niet zomaar vergeten, jongen.’

‘Maar wij zijn er toch ook nog?’ fluisterde ik.

Hij sloeg zijn arm om me heen en we zaten daar samen in stilte, terwijl de treinen voorbij raasden.

Thuis werd het steeds leger. Mijn moeder probeerde haar best te doen, maar ze was gebroken. Soms hoorde ik haar ’s nachts huilen in haar kamer. Lotte begon in bed te plassen en wilde niet meer naar school.

Op een dag kwam mijn oma langs – mijn moeders moeder, Truus – en schreeuwde tegen haar: ‘Hoe kon je dit doen? Je hebt je gezin kapotgemaakt!’ Mijn moeder barstte in tranen uit en rende naar boven. Ik stond beneden en voelde me verscheurd tussen loyaliteit aan mijn moeder en woede om wat ze had gedaan.

De familie viel uit elkaar. Kerstmis vierden we zonder mijn vader; opa en oma van vaderskant kwamen niet meer langs. Op school werd ik gepest omdat iedereen wist wat er gebeurd was – in een kleine stad als Amersfoort blijft niets geheim.

Ik werd opstandig. Ik begon te spijbelen, stal sigaretten uit de keukenla en hing rond bij het skatepark met jongens die net zo boos waren als ik. Thuis schreeuwde ik tegen mijn moeder: ‘Jij hebt alles verpest!’ Ze zei niets terug; ze keek alleen maar verdrietig naar me.

Op een avond kwam mijn vader onverwacht langs. Hij stond in de deuropening met tranen in zijn ogen. ‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg hij zachtjes.

Mijn moeder knikte zwijgend. We zaten urenlang aan tafel zonder iets te zeggen. Uiteindelijk zei hij: ‘Ik weet niet of ik kan vergeven wat er gebeurd is… maar jullie blijven mijn kinderen.’

Die woorden bleven hangen in mijn hoofd. Wat betekent vergeven eigenlijk? Kan je iemand echt vergeven als alles kapot is?

De jaren gingen voorbij. Mijn moeder kreeg een nieuwe vriend – Jan – die aardig was maar nooit echt bij ons hoorde. Mijn vader verhuisde naar Groningen en kreeg een nieuwe vriendin met wie hij later een dochter kreeg. Lotte en ik zagen hem alleen in vakanties.

Langzaam leerde ik omgaan met de pijn en de woede. Op mijn zestiende kreeg ik therapie; daar leerde ik dat het niet mijn schuld was wat er gebeurd was. Maar toch bleef er altijd een leegte.

Toen ik achttien werd, besloot ik mijn moeder eindelijk te vragen waarom ze het had gedaan.

‘Mam… waarom?’

Ze keek me aan met tranen in haar ogen. ‘Ik voelde me zo alleen, Bas… Je vader werkte altijd, we spraken elkaar nauwelijks nog. Ik zocht warmte bij iemand anders omdat ik dacht dat niemand mij meer zag.’

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik begreep haar pijn, maar het maakte de schade niet ongedaan.

Nu ben ik vijfentwintig en woon ik op mezelf in Utrecht. Mijn relatie met mijn ouders is voorzichtig hersteld, maar het zal nooit meer worden zoals vroeger. Soms vraag ik me af of we ooit echt een gezin waren, of dat we allemaal alleen waren onder hetzelfde dak.

Wat betekent familie eigenlijk als vertrouwen eenmaal gebroken is? Kun je ooit echt opnieuw beginnen? Misschien hebben jullie daar antwoorden op…