Ik besefte te laat dat ik alleen haar liefhad – een verhaal over spijt, familie en verloren liefde

‘Waarom ben je hier eigenlijk, Thomas?’ De stem van mijn zus Marieke sneed door de stilte in de auto. Ik keek haar niet aan. Mijn handen trilden op het stuur, terwijl ik naar de ingang van restaurant De Oude Molen staarde. Het was een druilerige vrijdagavond in Utrecht, en de regen tikte als nerveuze vingers op het dak.

‘Ik weet het niet,’ fluisterde ik. Maar dat was gelogen. Ik wist het dondersgoed. Vandaag was de reünie van onze middelbare school, twintig jaar na het eindexamen. Twintig jaar sinds ik alles verpest had. Twintig jaar sinds ik haar kwijt was geraakt.

Marieke zuchtte. ‘Je weet dat ze er is, hè? Sophie.’

Mijn hart sloeg over. Sophie. Haar naam alleen al deed mijn keel dichtknijpen. Ik had haar niet meer gezien sinds die avond in 2004, toen ik haar liet gaan. Of nee, toen ik haar wegduwde, omdat ik dacht dat vrijheid belangrijker was dan liefde. Wat een dwaas was ik geweest.

‘Ga je naar binnen of blijf je hier zitten?’ vroeg Marieke zacht.

Ik slikte. ‘Ik weet het niet.’

Ze draaide zich naar me toe. ‘Thomas, je hebt twintig jaar spijt gehad. Misschien is het tijd om het onder ogen te zien.’

Ik knikte zwijgend en stapte uit de auto. De regen voelde koud op mijn gezicht, maar ik liep vastberaden naar binnen. In de hal hing de geur van natte jassen en oude herinneringen.

Binnen was het warm en rumoerig. Overal zag ik bekende gezichten: Bart, die altijd grappen maakte; Anouk, met wie ik ooit een nacht op het schoolplein had doorgebracht; en daar, bij het raam, stond Sophie.

Ze lachte om iets wat haar vriendin zei, haar blonde haar viel losjes over haar schouders. Mijn hart bonsde in mijn borstkas. Ik voelde me weer achttien, onzeker en verliefd.

‘Thomas!’ Bart kwam op me af en sloeg een arm om mijn schouder. ‘Man, wat goed je te zien! Hoe is het met je?’

‘Gaat wel,’ mompelde ik, terwijl mijn blik steeds naar Sophie afdwaalde.

Bart volgde mijn blik en grijnsde. ‘Ze is nog steeds vrij, hoor.’

‘Wat?’

‘Sophie. Ze heeft nooit getrouwd. Geen kinderen. Ze woont nog steeds in Utrecht.’

Mijn maag draaide zich om. Waarom wist ik dit niet? Waarom had ik nooit contact gezocht?

‘Ga naar haar toe,’ fluisterde Marieke achter me.

Ik haalde diep adem en liep op Sophie af. Ze keek op en haar ogen werden groot.

‘Thomas?’ Haar stem trilde een beetje.

‘Hoi Sophie,’ zei ik zacht.

Er viel een ongemakkelijke stilte tussen ons. De geluiden van het feest leken te vervagen.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze uiteindelijk.

‘Goed… denk ik,’ loog ik. ‘En met jou?’

Ze glimlachte flauwtjes. ‘Ook wel goed.’

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Alles wat ik wilde zeggen, bleef steken in mijn keel.

‘Weet je nog… die avond bij de Vecht?’ vroeg ze opeens.

Ik knikte. Hoe kon ik dat vergeten? We hadden uren gepraat over onze dromen, onze angsten, onze toekomst samen. Toen dacht ik dat niets ons uit elkaar kon halen.

‘Waarom ben je weggegaan?’ vroeg ze zacht.

Daar was het dan. De vraag die ik al twintig jaar probeerde te vermijden.

‘Ik was bang,’ zei ik eerlijk. ‘Bang om mezelf te verliezen. Bang om jou pijn te doen.’

Ze keek me lang aan. ‘En heb je jezelf gevonden?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee. Ik heb alleen jou verloren.’

Ze zuchtte diep en keek naar buiten, waar de regen tegen het raam sloeg.

‘Weet je, Thomas… Ik heb lang gewacht op een teken van jou. Een brief, een telefoontje… iets.’

‘Het spijt me zo,’ fluisterde ik.

Ze glimlachte verdrietig. ‘Soms is spijt niet genoeg.’

We stonden daar, twee mensen die ooit alles voor elkaar betekenden, nu vreemden met een gedeeld verleden.

Plotseling kwam Bart weer langs met twee glazen wijn. ‘Op oude tijden!’ riep hij vrolijk.

Sophie pakte haar glas en keek me aan. ‘Op oude tijden,’ herhaalde ze zachtjes.

De avond ging verder in een waas van gesprekken en herinneringen. Maar telkens als ik Sophie aankeek, voelde ik de pijn van gemiste kansen.

Later op de avond stond ik buiten te roken – iets wat ik mezelf had beloofd nooit meer te doen – toen Marieke naast me kwam staan.

‘En?’ vroeg ze.

‘Ze heeft gelijk,’ zei ik bitter. ‘Soms is spijt niet genoeg.’

Marieke legde haar hand op mijn arm. ‘Misschien kun je haar laten zien dat je veranderd bent.’

‘Hoe dan? Twintig jaar zijn voorbij gegaan.’

Ze haalde haar schouders op. ‘Misschien moet je gewoon eerlijk zijn.’

Die nacht kon ik niet slapen. In mijn kleine appartement in Lombok lag ik te woelen onder mijn dekbed, terwijl de regen tegen het raam bleef tikken. Mijn gedachten gingen terug naar vroeger: hoe we samen fietsten langs de grachten, hoe we stiekem zoenden in het park, hoe we droomden over reizen naar verre landen.

Mijn ouders waren altijd tegen onze relatie geweest. Mijn vader vond Sophie “niet ambitieus genoeg”, terwijl mijn moeder vond dat ze “niet bij onze familie paste”. Ik had hun mening zwaarder laten wegen dan mijn eigen gevoel – uit angst om hen teleur te stellen.

De volgende ochtend besloot ik Sophie op te zoeken. Ik wist waar ze werkte: een kleine boekwinkel aan de Oudegracht.

Toen ik binnenkwam, rook het er naar koffie en papier. Sophie stond achter de kassa en keek verbaasd op toen ze me zag.

‘Thomas? Wat doe jij hier?’

Ik haalde diep adem. ‘Mag ik met je praten?’

Ze knikte aarzelend en wees naar een tafeltje achterin de winkel.

We gingen zitten en even wist ik niet waar te beginnen.

‘Sophie… Ik weet dat dit misschien raar klinkt na al die jaren, maar… Ik heb nooit opgehouden van je te houden.’

Ze keek me aan met vochtige ogen.

‘Waarom nu pas?’ fluisterde ze.

‘Omdat ik nu pas durf toe te geven dat ik fout zat,’ zei ik schor. ‘Ik heb me altijd laten leiden door angst – voor mijn ouders, voor verwachtingen… Maar jij was altijd degene die mij echt zag.’

Er viel een lange stilte.

‘Thomas… Ik heb geleerd om zonder jou verder te gaan,’ zei ze zachtjes. ‘Maar soms droom ik nog steeds over wat had kunnen zijn.’

Mijn hart brak opnieuw.

‘Geef me alsjeblieft nog één kans,’ smeekte ik bijna.

Sophie schudde haar hoofd, maar pakte toch mijn hand vast.

‘Misschien kunnen we opnieuw beginnen – als vrienden,’ zei ze voorzichtig.

Ik knikte langzaam. Het was niet wat ik hoopte, maar misschien was dit alles wat er nog mogelijk was.

Toen ik later die dag langs de grachten liep, dacht ik aan alles wat gebeurd was – aan keuzes die niet meer terug te draaien zijn, aan liefde die verloren ging door angst en trots.

Zou het anders zijn gelopen als ik destijds voor mezelf had gekozen? Of zijn sommige dingen gewoon niet voorbestemd?

Wat denken jullie: kun je ooit echt herstellen van verloren liefde? Of blijft er altijd iets ontbreken?