“Mam, ik kom niet met Kerst…” – Een verhaal over eenzaamheid, hoop en familiebreuken in Nederland
“Mam, ik kom niet met Kerst…”
Die woorden galmen nog steeds na in mijn hoofd, terwijl ik naar het lege bord tegenover me staar. De telefoon trilt zachtjes op tafel, maar het is alleen een melding van de supermarkt-app. Geen bericht van mijn kinderen. Geen uitnodiging. Geen belofte van samenzijn.
Mijn naam is Marjolein van Dijk. Ik ben 62 jaar en woon al twaalf jaar alleen in een flatje in Utrecht Overvecht. Het is geen slechte buurt, maar de muren zijn dun en de stemmen van buren zijn soms het enige gezelschap dat ik heb. Mijn man, Henk, is jaren geleden vertrokken. Hij kon het niet aan, zei hij. Te veel ruzie, te veel verwachtingen. Ik bleef achter met drie kinderen: Sanne, Joris en Femke. Ik heb alles voor ze gedaan. Alles opgeofferd. Maar nu… nu zijn ze weg.
“Waarom bel je niet gewoon?” fluister ik tegen mezelf terwijl ik de kerstkaarten herschik op de vensterbank. Eén kaart is van Sanne, met alleen haar naam en die van haar vriend, Bart. Geen persoonlijke boodschap. Geen uitnodiging.
De stilte wordt plotseling doorbroken door het geluid van sleutels in het slot van de buurvrouw. Mevrouw Van der Laan woont naast me en is altijd vriendelijk, maar haar leven lijkt zo vol – kleinkinderen, vrienden, altijd bezoek. Ik voel een steek van jaloezie. Waarom lukt het haar wel?
Mijn gedachten dwalen af naar vroeger. De zondagen aan tafel, de geur van appeltaart, Joris die altijd te laat kwam omdat hij weer was blijven hangen bij vrienden in het park. Sanne die alles perfect wilde doen en Femke die altijd lachte, zelfs als er ruzie was.
“Marjolein, je moet loslaten,” zei mijn zus Els laatst aan de telefoon. “Ze zijn volwassen nu.” Maar hoe laat je los als je hart nog steeds verlangt naar hun nabijheid?
De telefoon trilt opnieuw. Mijn hart slaat over. Maar het is alleen een groepsapp van de flatbewoners over het kerstfeest in de gemeenschappelijke ruimte. Ik twijfel of ik zal gaan. Vorig jaar zat ik daar ook, tussen mensen die ik nauwelijks kende, luisterend naar hun verhalen over familiebezoek en plannen voor Oud & Nieuw.
Plotseling hoor ik mijn eigen stem, hardop: “Misschien moet ik gewoon bellen.”
Ik pak mijn telefoon en zoek Joris’ nummer op. Mijn vingers trillen. De telefoon gaat drie keer over voordat hij opneemt.
“Hoi mam.”
“Hoi Joris… Hoe is het?”
“Druk mam, echt druk. We zijn net verhuisd en alles ligt nog in dozen.”
“Ja, dat hoorde ik van Sanne… Ik vroeg me af of je misschien… Of jullie misschien met Kerst…”
Er valt een stilte aan de andere kant.
“Mam, we hebben al plannen met Anne’s familie. Het spijt me echt.”
Ik slik. “Misschien een andere keer dan?”
“Ja, zeker mam. We spreken snel af.”
Maar we spreken nooit snel af.
Na het gesprek staar ik naar de muur waar nog steeds hun kindertekeningen hangen – vergeeld papier met vlekken van limonade en stiften die nooit meer uitgewassen zijn. Ik vraag me af waar het misging.
Was ik te streng? Te beschermend? Of juist te veel bezig met overleven na Henk’s vertrek? Ik herinner me de avonden dat ik tot laat werkte in het ziekenhuis om alles te kunnen betalen; de keren dat ik vergat te vragen hoe hun dag was geweest omdat ik te moe was om nog te luisteren.
De volgende dag loop ik door het park richting de stad. De lucht is grijs en koud; mijn adem vormt wolkjes voor mijn gezicht. Op een bankje zit een oude man met een hondje. Hij knikt vriendelijk.
“Ook alleen vandaag?” vraagt hij.
Ik knik en glimlach flauwtjes.
“Mijn kinderen wonen allemaal in het buitenland,” zegt hij zacht. “Maar weet je… soms moet je zelf op pad gaan.”
Zijn woorden blijven hangen terwijl ik verder loop. Misschien heeft hij gelijk.
Thuis besluit ik toch naar het kerstfeest in de gemeenschappelijke ruimte te gaan. De zaal is versierd met slingers en lichtjes; er klinkt zachte muziek uit een oude radio. Mevrouw Van der Laan zwaait enthousiast.
“Marjolein! Wat fijn dat je er bent!”
We praten over koetjes en kalfjes, maar als iemand vraagt wat mijn plannen zijn met Kerst, voel ik tranen prikken achter mijn ogen.
“Ik ben alleen,” zeg ik eerlijk.
Er valt een ongemakkelijke stilte, maar dan schuift mevrouw Van der Laan haar stoel dichterbij.
“Je mag altijd bij ons aanschuiven,” zegt ze warm.
Die avond lig ik wakker in bed en denk aan haar aanbod. Maar iets in mij blijft hopen op een berichtje van mijn kinderen – een teken dat ze me niet vergeten zijn.
Op kerstochtend maak ik koffie voor mezelf en zet ik de radio aan. Buiten is het stil; alleen het geluid van een vroege tram doorbreekt de rust. Ik besluit een wandeling te maken langs de grachten van Utrecht, waar gezinnen samenkomen voor ontbijt of onderweg zijn naar familie.
Op de terugweg zie ik Sanne’s favoriete bloemen in een bloemenkraam – witte tulpen. Impulsief koop ik een bosje en stuur haar een foto met de tekst: “Dacht aan je vandaag.”
Ze antwoordt pas laat in de avond: “Dank mam, jij ook fijne dagen.”
Het is niet wat ik hoopte, maar het is iets.
’s Avonds zit ik weer alleen aan tafel met een bord stamppot en kijk naar buiten waar vuurwerk wordt afgestoken door kinderen uit de buurt. Ik denk aan vroeger – aan hoe we samen zongen rond de kerstboom, hoe Joris altijd grapjes maakte over mijn slechte zangstem en Femke haar armen om me heen sloeg als ze merkte dat ik verdrietig was.
Misschien komt er ooit weer zo’n moment. Misschien niet.
Maar terwijl ik daar zit, besef ik dat ik niet de enige ben die worstelt met gemis en verlangen naar verbinding. Misschien moeten we vaker eerlijk zijn over onze eenzaamheid – niet alleen met anderen, maar ook met onszelf.
Zou jij het aandurven om je kwetsbaarheid te tonen? Of blijf je wachten op dat ene telefoontje dat misschien nooit komt?