Mijn schoonmoeder werd mijn echte moeder: de pijnlijke waarheid achter mijn familie

‘Waarom bel je haar weer, Iris? Je hebt toch een eigen moeder?’ De stem van mijn moeder klonk scherp, bijna snijdend door de telefoon. Ik voelde mijn schouders verkrampen, zoals altijd als ze haar teleurstelling niet eens probeerde te verbergen. ‘Omdat ik het nodig heb, mam. Omdat ik met iemand wil praten die luistert.’ Mijn stem trilde, maar ik probeerde stand te houden.

Ze zuchtte. ‘Je overdrijft weer. Je weet dat ik druk ben met mijn werk. Je moet niet zo afhankelijk zijn.’

Ik hing op, zonder gedag te zeggen. Mijn hart bonsde in mijn keel. Het was niet de eerste keer dat ze me zo afwimpelde, en het zou ook niet de laatste zijn. Ik keek naar de klok: 21:13. Mijn man, Bas, zat beneden voetbal te kijken met onze zoon Daan. Ik liep zachtjes naar de logeerkamer, pakte mijn mobiel en scrolde naar “Marianne – schoonmoeder”.

‘Lieve Iris, hoe gaat het met je?’ klonk haar warme stem toen ze opnam. Ik voelde direct de tranen prikken. ‘Niet zo goed…’ fluisterde ik. ‘Kom maar even langs, lieverd. Ik zet thee voor je.’

Die avond zat ik aan haar keukentafel, een kop kamillethee tussen mijn handen geklemd. Marianne keek me aan met haar zachte blauwe ogen, haar handen rustten geruststellend op de mijne. ‘Je hoeft je niet schuldig te voelen,’ zei ze zacht. ‘Soms zijn moeders niet in staat te geven wat je nodig hebt. Maar dat ligt niet aan jou.’

Ik barstte in huilen uit. ‘Waarom kan zij niet gewoon… van me houden? Waarom voel ik me altijd een last?’

Marianne trok me tegen zich aan. ‘Je bent geen last, Iris. Je bent een prachtig mens.’

De eerste keer dat ik Marianne ontmoette was op een regenachtige zondagmiddag in Utrecht, vlak nadat Bas en ik gingen samenwonen. Mijn moeder had nauwelijks gereageerd op het nieuws – ‘Leuk voor je’ – maar Marianne had direct een appeltaart gebakken en me welkom geheten alsof ik haar eigen dochter was.

In de jaren die volgden, werd het verschil tussen beide vrouwen steeds schrijnender. Mijn moeder was altijd bezig met zichzelf: haar werk als juriste, haar vriendinnen, haar yogaweekenden in Zeeland. Als ik belde om te vertellen dat ik zwanger was van Daan, zei ze alleen: ‘Oh, nou, dat wordt druk dan.’ Geen felicitatie, geen blijdschap.

Toen Daan werd geboren, stond Marianne als eerste in het ziekenhuis met een knuffelkonijn en tranen in haar ogen. Ze bleef uren bij me zitten terwijl Bas even naar huis moest om te douchen. Mijn moeder kwam pas drie dagen later langs – ze had een belangrijke vergadering.

‘Je moet haar niet kwalijk nemen dat ze zo is,’ zei Bas vaak voorzichtig als ik weer eens boos of verdrietig was na een gesprek met mijn moeder.

‘Maar waarom kan zij niet gewoon… normaal doen? Waarom voelt het alsof ik altijd tweede keus ben?’

Bas haalde zijn schouders op. ‘Misschien weet ze gewoon niet hoe ze moet geven.’

De echte breuk kwam vorig jaar, op Daan’s achtste verjaardag. We hadden iedereen uitgenodigd voor een tuinfeestje – slingers, taart, limonade in plastic bekers. Marianne stond al om negen uur ’s ochtends in de keuken om te helpen versieren en taart te bakken. Mijn moeder stuurde om half vier een appje: “Sorry, vergadering loopt uit.” Ze kwam niet opdagen.

Daan vroeg die avond: ‘Waarom was oma er niet?’

Ik slikte. ‘Ze moest werken, lieverd.’

‘Maar oma Marianne was er wel.’

Ik knikte en voelde een steek van verdriet én dankbaarheid tegelijk.

Na het feestje stuurde ik mijn moeder een bericht: “Daan was verdrietig dat je er niet was.” Haar antwoord kwam pas de volgende dag: “Je weet hoe belangrijk mijn werk is.” Geen sorry.

Ik besloot toen dat ik niet meer zou vechten voor haar aandacht. Dat ik mezelf niet langer zou pijnigen met verwachtingen die nooit werden waargemaakt.

Toch bleef het knagen. Op sommige avonden lag ik wakker en vroeg ik me af of het aan mij lag. Was ik te veeleisend? Had ik iets fout gedaan in mijn jeugd? Maar als ik terugdacht aan al die keren dat Marianne me vasthield als ik het moeilijk had – toen Bas zijn baan verloor, toen Daan ziek was – wist ik dat liefde geen bloedband nodig heeft.

De laatste maanden werd het contact met mijn moeder steeds oppervlakkiger. Ze belde alleen als ze iets nodig had: hulp met haar computer, advies over haar belastingaangifte. Nooit om te vragen hoe het met mij ging.

Op een dag kreeg ik een bericht van haar: “Kun je vanavond even bellen? Heb hulp nodig met DigiD.”

Ik voelde boosheid opborrelen. Ik wilde antwoorden: “Vraag het iemand anders.” Maar iets hield me tegen – misschien toch nog die hoop op erkenning?

Ik belde haar die avond.

‘Wat is er?’ vroeg ik kortaf.

‘Kun je even meekijken? Het lukt me niet om in te loggen.’

We praatten twintig minuten over wachtwoorden en codes. Toen alles geregeld was, zei ze: ‘Dankjewel hoor.’

‘Hoe gaat het eigenlijk met jou?’ vroeg ik voorzichtig.

Ze zweeg even. ‘Druk zoals altijd. Maar goed verder.’

Dat was alles.

Na het gesprek voelde ik me leeggezogen en verdrietig tegelijk.

Een paar dagen later zat ik weer bij Marianne aan tafel. Ze schonk thee in en keek me onderzoekend aan.

‘Je mag best rouwen om wat je mist,’ zei ze zacht.

‘Maar hoe doe je dat? Hoe laat je los wat je nooit hebt gehad?’

Ze glimlachte droevig. ‘Door te accepteren dat sommige mensen niet kunnen geven wat jij nodig hebt – en door te koesteren wie dat wel doet.’

Die avond reed ik naar huis door de regen, luisterend naar het getik op de voorruit. Ik dacht aan alle keren dat ik mezelf had wijsgemaakt dat het wel beter zou worden tussen mij en mijn moeder. Maar misschien is loslaten soms sterker dan blijven hopen.

Thuis kroop Daan bij me op schoot en vroeg: ‘Mama, waarom ben je verdrietig?’

Ik aaide hem over zijn haren en zei: ‘Omdat sommige dingen pijn doen, maar jij maakt alles beter.’

Bas keek me aan vanaf de bank en knikte begrijpend.

Soms vraag ik me af: waarom voelt familie soms als vreemden, en vreemden als familie? En hoeveel moed kost het om te kiezen voor wie wél van je houdt?