Van de Regen in de Drup: Mijn Vlucht uit een Giftig Nest naar een Kille Echtverbintenis
‘Mia, je denkt zeker dat je beter weet dan ik?’ De stem van mijn moeder galmde nog na in mijn hoofd, zelfs nu, jaren later. Het was alsof haar woorden zich in mijn huid hadden geëtst. Ik stond in de keuken van het huis dat ik nu met Daan deelde, starend naar het aanrecht vol ongewassen kopjes. Mijn handen trilden lichtjes terwijl ik het theeglas oppakte. ‘Je zult nooit iemand vinden die écht van je houdt, Mia. Je bent te moeilijk.’
‘Mia?’ Daan kwam binnen, zijn stem vlak, zijn blik gericht op zijn telefoon. ‘Kun je straks even de boodschappenlijst doornemen? Ik moet zo weer weg.’
‘Ja, is goed,’ antwoordde ik zacht. Hij keek niet op, merkte mijn gespannen houding niet op, of wilde het niet zien. De stilte tussen ons was dik en zwaar, als mist die niet optrekt. Ik vroeg me af of hij ooit echt naar me had gekeken.
Toen ik nog bij mijn moeder woonde in Amersfoort, voelde het huis als een gevangenis. Ze controleerde alles: mijn kleding, mijn vrienden, zelfs mijn gedachten leken niet van mij te mogen zijn. Elke keer als ik probeerde op te staan, trok ze me terug met haar scherpe woorden en haar eeuwige kritiek. ‘Je doet het nooit goed genoeg.’
Op mijn vierentwintigste ontmoette ik Daan op een verjaardag van een gezamenlijke vriendin. Hij was rustig, vriendelijk en leek alles te zijn wat mijn moeder niet was: stabiel, betrouwbaar, voorspelbaar. Misschien was dat waarom ik zo snel ja zei toen hij me vroeg samen te wonen. Misschien dacht ik dat stabiliteit hetzelfde was als liefde.
‘Weet je zeker dat je dit wilt?’ vroeg mijn beste vriendin Sanne vlak voor de verhuizing. ‘Je kent hem amper.’
‘Ik wil gewoon weg hier,’ fluisterde ik. ‘Alles is beter dan dit.’
Maar nu, drie jaar later, voelde het alsof ik van de regen in de drup was beland. Daan en ik leefden langs elkaar heen. We deelden een huis in Utrecht, maar geen dromen, geen geheimen, geen warmte. Hij werkte lange dagen bij een accountantskantoor en kwam thuis met zijn hoofd vol cijfers en deadlines. Ik werkte parttime in een boekwinkel en vulde de rest van mijn tijd met het schoonmaken van een huis dat nooit vies leek te worden.
Soms probeerde ik een gesprek te beginnen.
‘Daan, hoe was je dag?’
‘Druk,’ zei hij dan zonder op te kijken van zijn laptop.
Of:
‘Zullen we dit weekend iets samen doen?’
‘Ik heb nog werk liggen.’
De muren kwamen steeds dichterbij. Ik voelde me onzichtbaar, net als vroeger bij mijn moeder. Alleen nu was er niemand die schreeuwde of controleerde; er was alleen stilte.
Op een avond zat ik op de bank met Sanne aan de telefoon.
‘Je klinkt zo leeg, Mia,’ zei ze zacht.
‘Ik weet niet meer wie ik ben,’ fluisterde ik terug.
‘Waarom ga je niet weg?’
‘Waar moet ik heen? Ik heb geen geld, geen familie waar ik terecht kan… En wat als het weer misgaat? Wat als het aan mij ligt?’
Sanne zuchtte. ‘Het ligt niet aan jou. Je bent alleen vergeten hoe het voelt om jezelf te zijn.’
Die nacht lag ik wakker naast Daan, die zacht snurkte. Mijn gedachten tolden. Was dit alles wat het leven voor mij in petto had? Eerst gevangen bij mijn moeder, nu opgesloten in een liefdeloos huwelijk? Ik dacht aan de keren dat Daan me had aangeraakt zonder echt contact te maken; aan de verjaardagen die we apart vierden; aan de stilte tijdens het avondeten.
Op een zaterdagmiddag zat ik in het park met een boek dat ik niet las. Een oudere vrouw op het bankje naast me glimlachte vriendelijk.
‘Alles goed met je?’ vroeg ze plotseling.
Ik knikte automatisch, maar ze keek me doordringend aan.
‘Soms moet je jezelf afvragen of je leeft voor anderen of voor jezelf,’ zei ze zacht.
Haar woorden bleven hangen. Leefde ik voor mezelf? Of probeerde ik nog steeds iemand tevreden te stellen – eerst mijn moeder, nu Daan?
Thuisgekomen vond ik Daan in de keuken.
‘Kunnen we praten?’ vroeg ik voorzichtig.
Hij keek op, zichtbaar geïrriteerd. ‘Nu? Ik ben bezig met werk.’
‘Het is belangrijk.’
Hij zuchtte en sloot zijn laptop met een klap. ‘Wat is er dan?’
Mijn hart bonsde in mijn keel. ‘Ben jij gelukkig met mij?’
Hij keek me aan alsof ik hem in een vreemde taal aansprak. ‘Wat bedoel je?’
‘Voel jij… liefde? Of zijn we gewoon samen omdat het makkelijk is?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘We hebben het goed toch? Geen ruzie, alles loopt soepel.’
‘Maar voel je iets voor mij?’
Hij zweeg lang. ‘Ik weet het niet,’ zei hij uiteindelijk.
Die avond huilde ik stilletjes in bed terwijl Daan beneden bleef werken. Ik dacht aan mijn moeder en haar kille opmerkingen; aan Daan en zijn emotionele afstandelijkheid; aan mezelf en hoe klein ik me voelde tussen deze twee werelden.
De dagen daarna probeerde ik mezelf terug te vinden. Ik schreef brieven aan mezelf die ik nooit verstuurde. Ik begon weer te tekenen, iets wat mijn moeder altijd had afgekeurd (‘Daar verdien je toch niks mee’). Ik sprak vaker af met Sanne en merkte dat haar aanwezigheid me lucht gaf.
Op een avond kwam Daan thuis terwijl ik aan het schilderen was aan de keukentafel.
‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg hij verbaasd.
‘Tekenen,’ antwoordde ik simpel.
Hij keek even naar mijn werk en knikte toen afwezig. ‘Zorg je dat er straks eten is?’
Ik voelde woede opborrelen – niet om zijn vraag, maar om hoe weinig hij zag wie ik was geworden.
Die nacht besloot ik dat er iets moest veranderen. Ik kon niet nog jaren zo doorgaan; opgesloten tussen muren die steeds dichterbij kwamen.
De volgende ochtend pakte ik mijn tas en ging naar Sanne.
‘Ik weet niet wat ik moet doen,’ snikte ik terwijl zij haar armen om me heen sloeg.
‘Je hoeft het niet alleen te doen,’ zei ze zacht.
Samen maakten we een plan: sparen voor een eigen plek, hulp zoeken bij maatschappelijk werk, praten met een therapeut om mijn verleden onder ogen te komen.
De confrontatie met Daan was pijnlijk maar nodig.
‘Ik ga weg,’ zei ik met trillende stem.
Hij keek me lang aan en knikte toen langzaam. ‘Misschien is dat beter.’
Nu zit ik hier in mijn kleine studio in Utrecht, omringd door schilderijen en boeken die eindelijk weer van mij zijn. Het is stil – maar dit keer voelt de stilte als ruimte om adem te halen.
Soms vraag ik me af: had het anders gekund? Had ik eerder moeten kiezen voor mezelf? Of moest ik eerst verdwalen om mezelf terug te vinden?
Wat zouden jullie doen als je moest kiezen tussen veiligheid zonder liefde of vrijheid met onzekerheid?