“Waarom ben ik niet genoeg?” – Het verhaal van een huwelijk dat brak op de keukenvloer
‘Je doet het weer niet, hè?’ Jeroen’s stem galmt door de keuken, zijn vingers trommelen ongeduldig op het aanrecht. Ik sta met mijn handen in het sop, de geur van afwasmiddel prikt in mijn neus. ‘Wat doe ik niet?’ vraag ik, al weet ik het antwoord.
‘Het eten. Het is half zeven, Marjolein. Wat moeten we eten? Je weet dat ik na mijn werk honger heb.’
Ik draai me om, kijk hem aan. Zijn ogen zijn donker, vermoeid. ‘Jeroen, ik heb vandaag gewerkt tot vijf uur, boodschappen gedaan, de kinderen opgehaald, en nu sta ik hier alweer te poetsen. Kun je niet eens zelf iets maken?’
Hij zucht, pakt zijn jas van de stoel en smijt hem op de bank. ‘Altijd hetzelfde liedje met jou. Mijn moeder had het eten altijd klaar als mijn vader thuiskwam. Waarom kun jij dat niet?’
Die zin. Altijd die vergelijking met zijn moeder. Ik voel hoe mijn keel dichtknijpt, hoe mijn handen trillen van woede en verdriet. ‘Ik ben je moeder niet,’ fluister ik, maar hij hoort het niet – of wil het niet horen.
De kinderen, Fleur en Bram, zitten aan tafel met hun huiswerk. Ze kijken op, hun ogen groot. Ik glimlach naar ze, probeer de spanning uit mijn gezicht te wissen. Maar ze weten het. Ze voelen het elke dag.
Die avond eet Jeroen een boterham met kaas en laat de rest van ons in stilte achter. Ik lig later in bed te staren naar het plafond, luisterend naar zijn zware ademhaling naast me. Hoe zijn we hier beland? Waar is de liefde gebleven?
Het begon allemaal zo mooi. We ontmoetten elkaar op een feestje van vrienden in Utrecht. Hij lachte om mijn flauwe grappen, ik vond zijn verlegenheid aandoenlijk. We fietsten samen door de stad, aten friet aan de gracht, droomden over een huisje in een rustige wijk met kinderen die buiten speelden.
En dat huis kwam er. In Amersfoort vonden we een rijtjeshuis met een tuin vol lavendel en rozenstruiken. De eerste jaren waren gelukkig – of misschien wilde ik dat zo graag geloven dat ik de barstjes niet zag.
Na de geboorte van Fleur veranderde er iets. Jeroen werd stiller, kritischer. Hij vond dat ik te weinig deed in huis, dat ik te veel werkte, dat ik niet genoeg aandacht aan hem gaf. ‘Je bent altijd moe,’ zei hij dan. ‘Vroeger was je vrolijker.’
Ik probeerde harder mijn best te doen. Ik bakte taarten voor zijn verjaardag, organiseerde etentjes voor zijn vrienden, hield het huis spic en span. Maar het was nooit genoeg.
Toen Bram werd geboren, werd alles nog zwaarder. Twee kleine kinderen, een parttime baan als verpleegkundige in het Meander ziekenhuis, een man die steeds meer eisen stelde en steeds minder gaf.
Op een dag kwam zijn moeder, Truus, langs. Ze keek rond in mijn keuken en trok haar neus op bij de stapel afwas. ‘In mijn tijd was het hier altijd netjes,’ zei ze tegen Jeroen – luid genoeg zodat ik het kon horen.
‘Misschien moet je Marjolein wat tips geven,’ antwoordde hij lachend.
Ik voelde me klein worden, alsof ik weer een kind was dat op haar kop kreeg omdat ze haar kamer niet had opgeruimd.
De ruzies werden frequenter. Over eten, over geld, over wie de kinderen naar zwemles bracht. Jeroen vond dat ik alles verkeerd deed; ik vond dat hij nooit iets zag van wat ik wél deed.
Op een avond barstte de bom. Hij kwam thuis na een borrel met collega’s en vond geen warm eten op tafel.
‘Wat heb je eigenlijk gedaan vandaag?’ vroeg hij.
‘Ik heb gewerkt tot zes uur,’ zei ik zacht.
‘Ja ja, altijd smoesjes.’
Toen schreeuwde ik terug – voor het eerst in jaren liet ik mijn woede toe.
‘Weet je wat? Zoek het uit! Als je zo graag wilt dat alles gaat zoals bij je moeder thuis, ga dan lekker bij haar wonen!’
Hij keek me aan alsof hij me voor het eerst zag. ‘Misschien doe ik dat ook wel.’
En hij deed het. De volgende ochtend pakte hij zijn spullen en vertrok naar Truus in Hilversum.
De stilte die achterbleef was oorverdovend.
De weken daarna waren een waas van verdriet en opluchting tegelijk. Fleur huilde elke avond om haar vader; Bram vroeg steeds wanneer papa weer thuis kwam.
Truus belde elke dag. ‘Marjolein, je moet hem terugnemen! Hij bedoelt het niet zo… Je weet toch hoe mannen zijn.’
Maar ik wist het wel zeker: ik wilde niet meer terug naar hoe het was.
Toch voelde ik me schuldig. Was ik te streng geweest? Had ik meer moeten geven? Was liefde niet ook compromissen sluiten?
Mijn vriendinnen zeiden: ‘Je hebt gelijk gedaan! Je bent geen huishoudster!’ Maar ’s nachts lag ik wakker en dacht aan alle kleine momenten die nu voorbij waren: samen ontbijten op zondag, de kinderen die giechelden in bad, Jeroen die me vasthield als ik bang was voor onweer.
Op een dag stond Jeroen ineens voor de deur, met Truus naast zich.
‘We moeten praten,’ zei hij.
We gingen aan tafel zitten – precies zoals vroeger, maar nu met een kloof tussen ons die niet meer te overbruggen leek.
‘Ik mis de kinderen,’ zei hij zacht.
‘Ze missen jou ook,’ antwoordde ik.
Truus keek me smekend aan. ‘Kunnen jullie het niet nog eens proberen? Voor de kinderen?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Het gaat niet alleen om koken of schoonmaken. Het gaat om respect. Om gezien worden.’
Jeroen keek weg. ‘Misschien ben ik te veel opgevoed met oude ideeën,’ mompelde hij.
‘Misschien,’ zei ik zacht.
Na hun vertrek voelde ik me leeg maar ook licht – alsof er eindelijk ruimte was om adem te halen.
Langzaam begon ik mezelf terug te vinden: wandelen met Fleur en Bram door het bos bij Soestduinen, samen pannenkoeken bakken (zonder stress), weer lachen met vriendinnen op het terras.
Soms mis ik Jeroen nog steeds – of eigenlijk: wie hij ooit was. Maar nog vaker voel ik trots dat ik voor mezelf ben opgekomen.
En nu vraag ik me af: hoeveel vrouwen zitten nog gevangen in verwachtingen die ze nooit kunnen waarmaken? Wanneer kiezen we eindelijk voor onszelf?