Wanneer mijn schoonmoeder om 17:00 belt: Ben ik een slechte moeder, of gewoon een slechte schoondochter?

‘Heb je nou alweer kant-en-klaar eten op tafel gezet, Eva?’ De stem van mijn schoonmoeder, Ans, galmt door de telefoon. Het is vijf uur ’s middags, de kinderen zijn net thuis van school en ik probeer met één hand een pan soep op te warmen terwijl ik met de andere hand de telefoon tegen mijn oor klem. Mijn hart bonkt in mijn keel.

‘Ja, mam, het was vandaag gewoon druk op werk. En de kinderen hadden zwemles,’ probeer ik zachtjes, hopend dat mijn stem niet trilt van frustratie.

‘Druk, druk, druk. Vroeger deed ik alles zelf, zonder magnetronmaaltijden. Je weet dat goede voeding belangrijk is voor de kleintjes, hè?’

Ik knik, hoewel ze dat niet kan zien. Mijn dochtertje Roos trekt aan mijn mouw. ‘Mama, mag ik een koekje?’

‘Nee lieverd, straks eten we.’

Ans zucht aan de andere kant van de lijn. ‘Je moet echt beter je best doen, Eva. Je weet hoe belangrijk het is voor Mark dat zijn gezin goed verzorgd wordt.’

Mark is mijn man. We zijn nu zes jaar getrouwd. Zijn moeder heeft altijd een mening over alles wat ik doe. Soms vraag ik me af of ze ooit tevreden zal zijn.

Na het telefoontje plof ik neer op de bank. Mijn hoofd gonst van haar woorden. Ben ik echt zo’n slechte moeder? Of ben ik gewoon niet goed genoeg als schoondochter? Ik voel me verscheurd tussen twee werelden: die van mijn eigen gezin en die van Marks familie, waar alles altijd perfect lijkt te moeten zijn.

Die avond, als Mark thuiskomt, probeer ik luchtig te doen. ‘Je moeder belde weer,’ zeg ik terwijl ik de soep opschep.

Mark rolt met zijn ogen. ‘Wat nu weer?’

‘Ze vindt dat ik te vaak makkelijke maaltijden maak.’

Hij lacht het weg. ‘Trek je daar toch niks van aan.’

Maar het blijft knagen. Waarom kan ik haar niet gewoon tevreden stellen? Waarom voelt het alsof alles wat ik doe verkeerd is?

De volgende dag op kantoor kan ik me nauwelijks concentreren. Mijn collega Sanne merkt het meteen.

‘Gaat het wel?’ vraagt ze.

Ik zucht diep. ‘Het is weer mijn schoonmoeder… Ze vindt dat ik geen goede moeder ben omdat ik niet elke dag vers kook.’

Sanne schudt haar hoofd. ‘Je doet je best, Eva. Je werkt hard en zorgt voor je gezin. Laat haar maar praten.’

Maar zo makkelijk is het niet. Ans heeft een manier om me precies daar te raken waar het pijn doet. Ze weet dat ik onzeker ben over mijn moederschap. Mijn eigen moeder overleed toen ik vijftien was; sindsdien heb ik altijd getwijfeld of ik wel weet hoe het moet, moeder zijn.

’s Avonds lig ik wakker in bed naast Mark, die zachtjes snurkt. Mijn gedachten razen. Ik herinner me hoe Ans me tijdens onze bruiloft apart nam en zei: ‘Zorg goed voor mijn zoon, Eva. Hij verdient het allerbeste.’ Toen voelde het als een zegen, nu als een last.

De dagen erna probeer ik extra mijn best te doen. Ik bak pannenkoeken met Roos en help mijn zoon Daan met zijn huiswerk. Maar als Ans op zondag langskomt voor koffie, vindt ze alsnog iets om kritiek op te leveren.

‘Je hebt geen appeltaart gebakken? Vroeger bakte ik elke zondag taart voor het gezin.’

Ik voel de tranen prikken achter mijn ogen. ‘Sorry Ans, het is er niet van gekomen.’

Ze kijkt me aan met die blik die alles zegt: teleurstelling, onbegrip, misschien zelfs minachting.

Na haar vertrek barst ik in huilen uit aan de keukentafel. Mark probeert me te troosten.

‘Waarom laat je haar zo binnenkomen?’ vraagt hij voorzichtig.

‘Omdat ze gelijk heeft! Ik ben niet zoals zij! Ik ben niet perfect!’

Mark slaat zijn armen om me heen. ‘Dat hoeft ook niet. Je bent goed zoals je bent.’

Maar diep vanbinnen geloof ik hem niet helemaal.

Op een woensdagmiddag krijg ik een berichtje van Ans: “Ik heb gehoord dat Roos nog steeds niet zonder zijwieltjes kan fietsen? Misschien moet je daar wat meer tijd aan besteden.”

Mijn handen trillen als ik haar terugbel.

‘Ans, kun je alsjeblieft ophouden met mij steeds te vertellen wat ik fout doe?’ Mijn stem klinkt schor.

Er valt een stilte aan de andere kant.

‘Ik wil alleen maar helpen,’ zegt ze uiteindelijk.

‘Het voelt niet als helpen,’ fluister ik. ‘Het voelt alsof niets ooit goed genoeg is.’

Ze zucht diep. ‘Misschien ben ik te direct geweest.’

Voor het eerst hoor ik twijfel in haar stem.

Die avond praat ik lang met Mark. We besluiten grenzen te stellen: minder telefoontjes, minder bemoeienis.

Het is moeilijk om nee te zeggen tegen familie, zeker in Nederland waar gezelligheid en samen zijn zo belangrijk zijn. Maar ergens voel ik een sprankje hoop dat het anders kan.

Toch blijft de twijfel knagen: Kan ik een goede moeder zijn zonder de perfecte schoondochter te zijn? Of moet je in Nederland altijd alles tegelijk kunnen?

Soms vraag ik me af: wie bepaalt eigenlijk wat goed genoeg is? En waarom laten we anderen zo vaak ons zelfbeeld bepalen?

Wat vinden jullie? Herkennen jullie deze strijd tussen jezelf willen zijn en voldoen aan verwachtingen van familie?