Onder de Schaduw van de Kastanjeboom

‘Je hebt het beloofd, Anna. Je hebt het hem beloofd!’ De stem van mijn schoonmoeder, Truus, galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen de kastanjeboom in de aarde duw. De kluiten aarde zijn nat van de regen en mijn tranen. Mijn vingers zijn koud, modderig, maar ik voel niets. Alleen leegte.

‘Hij wilde het zelf doen,’ fluister ik tegen niemand in het bijzonder. De tuin is verlaten, op het zachte getik van de regen op de oude dakpannen na. Ik kijk naar het huis, waar achter het raam mijn dochtertje Lotte met haar knuffel tegen haar borst gedrukt staat. Haar ogen zijn groot en nat. Ze begrijpt het niet helemaal, maar ze voelt alles.

‘Mama, waarom huil je?’ vroeg ze vanochtend nog, terwijl ze haar boterham met hagelslag liet liggen. Ik kon haar geen antwoord geven. Hoe leg je een kind van zes uit dat papa niet meer terugkomt? Dat hij nooit meer in de tuin zal werken, nooit meer zal lachen om haar grapjes?

Het begon allemaal zo gewoon. Een doordeweekse dinsdag in maart. Erik kwam thuis van zijn werk bij de gemeente Utrecht, gooide zijn jas over de stoel en zei: ‘We moeten echt die boom gaan planten, An. Voor Lotte, voor ons.’

‘Doe het dan,’ grapte ik. ‘Je praat er al maanden over.’

Hij lachte, die diepe warme lach die ik nu zo mis. ‘Dit weekend. Beloofd.’

Maar dat weekend kwam nooit. Een hartstilstand, zomaar, uit het niets. Ik vond hem op de keukenvloer, zijn hand nog om een mok koffie geklemd. Alles daarna is een waas van sirenes, huilende familieleden en lege blikken.

De dagen na zijn dood waren gevuld met mensen die kwamen en gingen. Mijn moeder, Gerda, die alles wilde regelen. Truus, die me nauwelijks aankeek maar wel overal een mening over had. ‘Hij had beter verdiend,’ hoorde ik haar fluisteren tegen haar zus tijdens de condoleance.

‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg ik later die avond, toen iedereen weg was behalve zij.

Ze keek me aan met die kille blik die ik al kende sinds onze eerste ontmoeting. ‘Jij had hem moeten tegenhouden. Hij werkte te hard, Anna. Je had beter op hem moeten letten.’

Ik voelde woede opborrelen, maar ook schuld. Had ik het kunnen zien? Had ik hem kunnen redden?

De dagen werden weken. Lotte werd stiller, ik werd harder voor mezelf. De kastanjeboom stond nog steeds in zijn plastic pot naast de schuur, een stille getuige van wat had moeten zijn.

Op een avond zat ik aan de keukentafel met Erik’s oude zakhorloge in mijn hand. Het was zwaar, met een doffe zilveren kast en een gebarsten glas. De wijzers stonden stil op half zes – een tijdstip dat niets betekende, of misschien juist alles.

Ik draaide het horloge tussen mijn vingers, alsof ik zo dichter bij hem kon komen. ‘Waarom ben je weggegaan?’ fluisterde ik in het donker.

De volgende ochtend stond Truus weer voor de deur. ‘Je moet verder, Anna,’ zei ze zonder omhaal.

‘Hoe dan?’ vroeg ik. ‘Hoe ga jij verder zonder je zoon?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Door te doen wat hij wilde. Plant die boom.’

Dus daar stond ik nu, in de stromende regen, met modder tot aan mijn enkels en het gevoel dat ik faalde als moeder, als vrouw, als mens.

‘Mama?’ Lotte stond ineens naast me, haar laarzen veel te groot voor haar kleine voeten.

‘Kom maar,’ zei ik zacht en trok haar tegen me aan. Samen duwden we de boom rechtop in de aarde.

‘Papa zou trots zijn,’ fluisterde ze.

Ik slikte mijn tranen weg en knikte. ‘Ja lieverd, dat zou hij.’

Die avond zat ik alleen op de bank toen mijn moeder belde.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze voorzichtig.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik eerlijk.

Ze zweeg even. ‘Je hoeft niet alles alleen te doen, Anna.’

Maar zo voelde het wel. Truus kwam steeds vaker langs om te controleren of alles wel ‘goed’ ging met Lotte – en vooral of ik geen fouten maakte.

Op een dag vond ik haar in Lotte’s kamer terwijl ze haar kleren doorzocht.

‘Wat doe je?’ vroeg ik scherp.

Ze keek niet op van haar werk. ‘Ze heeft nieuwe kleren nodig. Jij vergeet dat soort dingen.’

‘Ik vergeet niets,’ beet ik haar toe.

Ze snoof minachtend en liep langs me heen naar beneden.

Die avond barstte ik uit tegen mijn moeder aan de telefoon.

‘Ze behandelt me alsof ik niets kan! Alsof alles mijn schuld is!’

Mijn moeder zuchtte diep. ‘Truus rouwt ook op haar manier, Anna. Maar je mag je grenzen aangeven.’

Ik wist dat ze gelijk had, maar hoe doe je dat als je zelf nauwelijks overeind blijft?

De weken gingen voorbij en langzaam groeide er iets tussen mij en Lotte – een nieuw soort band, gebouwd op verdriet maar ook op hoop.

Op een dag kwam Lotte thuis uit school met een tekening van een grote boom met drie mensen eronder.

‘Kijk mama! Dat zijn wij en papa onder onze boom!’

Ik voelde iets warms door me heen stromen – voor het eerst sinds Erik’s dood.

Die avond zat ik weer aan tafel met het zakhorloge in mijn hand.

‘Misschien is dit genoeg,’ dacht ik hardop. ‘Misschien is dit hoe we verder moeten.’

Truus bleef komen, bleef commentaar geven, maar ik leerde haar woorden naast me neer te leggen.

Op een dag stond ze in de tuin terwijl Lotte en ik bloemen plantten rond de kastanjeboom.

‘Het is mooi geworden,’ zei ze zachtjes.

Ik keek haar aan en zag voor het eerst iets zachts in haar ogen.

‘Dank je,’ zei ik simpelweg.

We stonden samen onder de schaduw van de jonge boom – drie generaties vrouwen, verbonden door verlies maar ook door liefde.

Soms vraag ik me af: had ik meer kunnen doen? Had Erik langer geleefd als ik beter had opgelet? Maar dan kijk ik naar Lotte die lacht onder onze boom en weet ik: dit is wat telt.

Wat betekent het eigenlijk om verder te gaan? Is het loslaten of juist vasthouden aan wat was? Misschien weten jullie het antwoord beter dan ik.