Tussen Scherven en Stilte: Mijn Zomer in de Oude Schuur
‘Dus je liegt gewoon tegen me, Merel? Je liegt gewoon recht in mijn gezicht?’
De stem van mijn moeder galmt nog na in mijn hoofd terwijl ik met trillende handen de sleutel in het roestige slot steek. De geur van vochtige aarde en oud hout slaat me tegemoet als ik de deur van de schuur open duw. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. Ik ben hier. Alleen. In deze bouwvallige schuur aan de rand van een vergeten Fries dorpje, terwijl mijn moeder denkt dat ik op een luxe yoga-retraite zit in Drenthe.
‘Het is maar voor een paar weken,’ had ik mezelf wijsgemaakt. ‘Even weg van alles. Even ademen.’ Maar nu, met de regen die zachtjes tikt op het golfplaten dak en de stilte die als een zware deken over me heen valt, voel ik vooral paniek. Wat als ze erachter komt? Wat als ik mezelf niet terugvind?
De eerste nacht slaap ik nauwelijks. Elk kraakje, elke windvlaag maakt me wakker. Ik lig op een gammel matras dat ik van Marktplaats heb gehaald, met een slaapzak die muf ruikt naar zweet en oude dromen. In het donker hoor ik mijn moeders stem weer: ‘Je vader zou zich omdraaien in zijn graf als hij wist wat je nu doet.’
Papa. Sinds zijn dood is alles anders. Mam is harder geworden, strenger. Alsof ze denkt dat ze mij moet beschermen tegen alles wat mis kan gaan, terwijl ik alleen maar wil ontsnappen aan haar zorgen, haar angsten, haar verwachtingen.
De volgende ochtend word ik gewekt door het gekraai van een haan van de buren. Mijn telefoon trilt: een appje van mam.
‘Hoe is het daar? Gaat het goed met je? Heb je al leuke mensen ontmoet?’
Ik typ terug: ‘Heerlijk hier! Veel rust. Yoga is zwaar maar fijn.’
Leugen op leugen. Maar wat moet ik anders? Als ze wist dat ik hier zat, zonder stromend water, zonder wc, met alleen een jerrycan en een emmer… Ze zou me meteen terughalen.
Ik probeer te wennen aan het leven in de schuur. Overdag fiets ik naar het dorp om boodschappen te doen bij de Spar. De caissière, een vrouw met grijs haar en een zachte stem, kijkt me altijd nieuwsgierig aan.
‘Jij bent niet van hier, hè?’ vraagt ze op een ochtend.
‘Nee, tijdelijk,’ mompel ik.
‘Vakantie?’
‘Zoiets.’
Ze glimlacht, maar haar blik blijft hangen. Alsof ze weet dat er meer aan de hand is.
’s Avonds schrijf ik in mijn dagboek. Over papa, over mam, over hoe verloren ik me voel. Soms huil ik zachtjes in het donker, bang dat iemand me hoort – terwijl er niemand is om me te horen.
Na een week komt er bezoek. Niet mam – godzijdank – maar mijn broer Joris. Hij staat ineens voor de deur met een krat bier en een zak chips.
‘Jij bent gek,’ zegt hij als hij binnenstapt en om zich heen kijkt. ‘Mam zou je vermoorden als ze dit wist.’
‘Zeg het haar alsjeblieft niet,’ smeek ik.
Hij zucht en ploft neer op het matras.
‘Waarom doe je dit eigenlijk?’ vraagt hij na een tijdje.
Ik weet het niet precies. ‘Omdat ik niet meer weet wie ik ben,’ fluister ik uiteindelijk. ‘Omdat alles thuis zo… zwaar is.’
Hij knikt langzaam. ‘Ik snap het wel. Maar je kunt niet eeuwig weglopen, Merel.’
We drinken samen bier tot diep in de nacht. Voor het eerst in maanden voel ik me niet helemaal alleen.
De dagen worden warmer. Ik begin te wennen aan het primitieve leven: water halen bij de pomp, koken op een campinggasje, douchen met flessen water in de tuin achter de schuur. Soms komt er een buurvrouw langs met verse eieren of zelfgemaakte jam.
‘Je lijkt op je vader,’ zegt ze op een dag terwijl ze me aankijkt met haar heldere blauwe ogen.
Ik slik. ‘Kent u hem?’
Ze knikt. ‘We zaten samen op school vroeger. Hij was altijd zo’n dromer.’
Ik glimlach flauwtjes. Misschien ben ik ook wel zo’n dromer.
Maar dan, op een avond als de zon rood ondergaat achter de weilanden, krijg ik een telefoontje van mam.
‘Merel? Waar ben je?’ Haar stem klinkt gespannen, bijna paniekerig.
Mijn hart slaat over. ‘Wat bedoel je?’
‘Ik heb gebeld naar dat retraitecentrum… Ze kennen jou daar niet.’
Stilte. Mijn leugen spat uit elkaar als een zeepbel.
‘Mam…’ begin ik, maar ze onderbreekt me.
‘Waarom? Waarom doe je dit?’ Haar stem breekt.
Ik weet het niet meer. Tranen prikken achter mijn ogen.
‘Omdat ik niet meer kan ademen thuis,’ snik ik uiteindelijk. ‘Omdat alles zo zwaar is sinds papa weg is.’
Aan de andere kant van de lijn blijft het lang stil.
‘Kom naar huis,’ zegt ze dan zachtjes.
Maar ik kan niet. Nog niet.
De dagen daarna voel ik me verscheurd tussen schuld en opluchting. Ik weet dat ik haar pijn heb gedaan, maar voor het eerst in jaren voel ik ook iets van vrijheid – hoe gebrekkig die ook is, tussen de scherven van deze oude schuur.
Op een avond zit ik buiten op een omgevallen boomstam en kijk naar de sterren boven het Friese land. Joris appt: ‘Mam is boos, maar ze snapt het wel een beetje nu.’
Misschien komt het ooit goed tussen ons. Misschien leer ik ooit echt wie ik ben zonder haar verwachtingen en zonder papa’s schaduw.
Maar wat betekent het eigenlijk om vrij te zijn? Is vrijheid weglopen van alles wat pijn doet – of juist leren leven met die pijn?
Wie ben jij als niemand kijkt?