Toen ik hem om hulp vroeg: Mijn strijd tussen liefde, vermoeidheid en stilte in ons Nederlandse gezin
‘Waarom moet ik altijd alles alleen doen?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer hem stevig te laten klinken. Het is zaterdagavond, de kinderen liggen eindelijk in bed. De vaatwasser bromt op de achtergrond. Ik sta in de keuken, mijn handen nog nat van het afwassen, terwijl Mark – mijn man – op de bank zit met zijn telefoon.
Hij kijkt nauwelijks op. ‘Wat bedoel je nou weer, Sanne?’
Ik voel hoe mijn keel dichtknijpt. ‘Ik bedoel dat ik het gevoel heb dat alles hier op mij neerkomt. De was, het eten, de kinderen naar voetbal en zwemles brengen, boodschappen doen…’
Hij zucht. ‘Je overdrijft. Ik werk ook gewoon fulltime, hè.’
‘En ik dan?’ Mijn stem breekt nu echt. ‘Ik werk óók fulltime. Maar als ik thuiskom, begint mijn tweede dienst pas.’
Mark zwijgt. Ik hoor alleen het zachte getik van zijn duim op het scherm. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. Waarom begrijpt hij het niet? Waarom voel ik me zo alleen in ons huis?
De stilte tussen ons is dik en zwaar. Ik loop naar boven, naar de kamer van onze dochter Lotte. Ze slaapt met haar knuffelbeer in haar armen, haar blonde haren als een waas over haar kussen. Ik strijk zachtjes over haar hoofdje en voel tranen prikken achter mijn ogen.
‘Mama?’ fluistert ze slaperig.
‘Ssst, lieverd. Ga maar slapen.’
Beneden hoor ik Mark nog steeds niet bewegen. Ik weet dat hij straks naar bed komt zonder iets te zeggen. Dat doet hij altijd als we ruzie hebben – hij trekt zich terug in zijn schulp, terwijl ik wakker lig en pieker.
De volgende ochtend is het alsof er niets gebeurd is. Mark schenkt koffie in, zet de radio aan op NPO Radio 2 en vraagt: ‘Wil jij straks even naar de markt voor broodjes?’
Ik kijk hem aan. ‘Kun je dat niet zelf doen?’
Hij fronst zijn wenkbrauwen. ‘Waarom doe je zo moeilijk?’
‘Omdat ik moe ben, Mark. Omdat ik het gevoel heb dat ik alles moet regelen.’
Hij haalt zijn schouders op en pakt zijn jas. ‘Prima, ik ga wel.’
Als hij weg is, zak ik op een stoel en staar naar buiten. De regen tikt tegen het raam. In mijn hoofd herhaal ik onze gesprekken van de afgelopen maanden – steeds hetzelfde patroon: ik vraag om hulp, hij voelt zich aangevallen, we zwijgen, alles blijft hetzelfde.
Mijn moeder zei altijd: ‘Sanne, je moet niet zeuren. Vrouwen kunnen nu eenmaal meer aan.’ Maar waarom moet dat zo zijn? Waarom voelt het alsof ik faal als ik toegeef dat ik het niet trek?
Op maandagavond zit ik met Lotte aan de keukentafel terwijl ze haar huiswerk maakt. Onze zoon Daan speelt met Lego op de grond. Mark is laat thuis van zijn werk – weer een vergadering die uitliep.
‘Mama, waarom ben je verdrietig?’ vraagt Lotte plotseling.
Ik schrik van haar scherpte. ‘Ben ik verdrietig dan?’
Ze knikt ernstig. ‘Je lacht minder.’
Ik slik en probeer te glimlachen. ‘Het is gewoon een beetje druk, schatje.’
Als Mark thuiskomt, ruikt hij naar regen en koffie. Hij hangt zijn jas op en kijkt me even aan voordat hij naar boven loopt om zich om te kleden.
Die nacht lig ik wakker naast hem in bed. Zijn rug naar mij toe, zijn ademhaling diep en gelijkmatig. Mijn gedachten razen: moet ik zo doorgaan? Kan ik dit gesprek nog een keer voeren zonder dat het weer op niets uitloopt?
Op woensdagavond besluit ik het anders te doen. Ik wacht tot de kinderen slapen en zet twee koppen thee op tafel.
‘Mark,’ begin ik zacht, ‘ik wil niet meer zo doorgaan.’
Hij kijkt me aan, zijn ogen moe.
‘Ik voel me alleen in ons gezin,’ zeg ik. ‘Ik wil niet dat onze kinderen later denken dat dit normaal is – dat mama alles doet en papa alleen werkt.’
Hij zucht diep. ‘Wat wil je dan?’
‘Dat we samen verantwoordelijk zijn voor ons huis en onze kinderen. Dat jij ook eens nadenkt over wat er moet gebeuren zonder dat ik het hoef te vragen.’
Hij kijkt weg, zijn vingers trommelen nerveus op de tafel.
‘Ik weet niet hoe,’ zegt hij uiteindelijk zacht.
Dat antwoord verrast me meer dan ik wil toegeven.
‘Wil je het proberen?’ vraag ik voorzichtig.
Hij knikt langzaam.
De dagen daarna merk ik kleine veranderingen. Mark ruimt de vaatwasser uit zonder dat ik iets zeg. Hij brengt Daan naar voetbaltraining en vraagt zelfs of hij boodschappen zal doen. Het is niet perfect – soms vergeet hij dingen of moppert hij over hoe druk hij het heeft – maar er is beweging.
Toch blijft er iets knagen. De balans is nog wankel; soms voelt het alsof hij dingen doet om mij tevreden te houden, niet omdat hij ze zelf belangrijk vindt.
Op een avond zit ik met mijn beste vriendin Iris op een terras in Utrecht.
‘En? Gaat het beter thuis?’ vraagt ze terwijl ze haar glas wijn ronddraait.
Ik haal mijn schouders op. ‘Een beetje. Maar soms voelt het alsof ik hem moet opvoeden in plaats van samenleven.’
Iris lacht wrang. ‘Welkom bij de club.’
We praten over onze moeders, over hoe zij alles deden zonder te klagen – of misschien klaagden ze wel, maar luisterde niemand.
‘Denk je dat het ooit echt verandert?’ vraag ik haar.
Ze denkt even na. ‘Alleen als we blijven praten en niet alles zelf blijven doen.’
Die nacht denk ik aan haar woorden terwijl Mark naast me ligt te slapen. Ik voel me nog steeds moe, maar ook hoopvol – misschien is verandering mogelijk als we allebei bereid zijn om te leren.
Op zondagmiddag zitten we met z’n vieren aan tafel voor een bord pannenkoeken. Lotte giechelt als Mark per ongeluk stroop morst op zijn overhemd.
‘Zie je wel,’ zegt ze vrolijk, ‘papa kan ook knoeien!’
We lachen allemaal – zelfs Mark.
Misschien is dit het begin van iets nieuws.
Soms vraag ik me af: hoeveel vrouwen zitten ’s avonds uitgeput op de bank omdat ze alles dragen? En durven we echt te geloven dat het anders kan – of houden we elkaar gevangen in oude gewoontes?