Ik ben geen mantelzorger: Mijn strijd om mijn eigen leven terug te krijgen

‘Je moet het gewoon doen, Anouk. Jij werkt toch maar parttime, en mama heeft nu iemand nodig.’

De stem van mijn man, Mark, klinkt hard en onverbiddelijk in de kleine keuken. Ik staar naar de dampende mok thee in mijn handen, voel hoe mijn vingers trillen. Buiten tikt de regen tegen het raam, maar binnen is het nog kouder. ‘En jouw zus dan?’ probeer ik, mijn stem schor. ‘Waarom altijd ik?’

Mark zucht diep, alsof ik een lastig kind ben. ‘Sanne heeft drie kinderen en een fulltime baan. Jij bent flexibel. Bovendien… jij hebt altijd zo’n goede band met mijn moeder gehad.’

Ik wil schreeuwen dat dat niet eerlijk is. Dat ik óók een baan heb, óók een leven. Maar de woorden blijven steken in mijn keel. Mijn schoonmoeder, Riet, is vorige maand gevallen. Heup gebroken, operatie, revalideren – en nu kan ze niet meer alleen zijn. Iedereen kijkt naar mij.

De eerste weken probeer ik het. Ik rij elke ochtend naar haar flat in Amstelveen, help haar uit bed, maak ontbijt, zet haar medicijnen klaar. Riet is dankbaar, maar ook veeleisend. ‘Anouk, kun je even de krant halen? Anouk, waar is mijn bril? Anouk, ik wil niet alleen zijn.’

’s Avonds kom ik thuis als een schim van mezelf. Mark vraagt niet hoe het was; hij verwacht dat ik dit gewoon doe. Sanne appt af en toe: ‘Bedankt dat je het oppakt! Ik weet niet wat we zonder jou zouden moeten.’ Mijn eigen moeder belt en zegt voorzichtig: ‘Denk je wel aan jezelf?’

Maar hoe denk je aan jezelf als iedereen iets van je wil?

Na drie weken ben ik op. Mijn werk als bibliothecaresse lijdt eronder; ik vergeet afspraken, maak fouten. Mijn baas, meneer Van Dijk, roept me bij zich. ‘Anouk, is alles goed thuis? Je lijkt zo afwezig.’

Ik barst in tranen uit. In de stilte van zijn kantoor vertel ik alles: de druk van Mark, de verwachtingen van de familie, het schuldgevoel dat als een natte jas aan me kleeft. Meneer Van Dijk luistert en zegt dan zacht: ‘Je mag best voor jezelf kiezen, hoor. Niemand kan dit alleen.’

’s Avonds probeer ik met Mark te praten. ‘Ik trek dit niet meer,’ zeg ik terwijl ik mijn handen om een kop thee vouw. ‘Ik voel me leeg.’

Mark kijkt op van zijn telefoon. ‘Het is tijdelijk,’ zegt hij kortaf. ‘We moeten allemaal offers brengen.’

‘Maar waarom altijd ik?’ Mijn stem trilt nu echt.

Hij haalt zijn schouders op. ‘Jij bent er gewoon beter in.’

Die nacht lig ik wakker naast hem en staar naar het plafond. Mijn gedachten razen: Waarom voel ik me zo schuldig? Waarom mag ik niet gewoon nee zeggen?

De volgende dag belt Sanne. ‘Mam zegt dat je gisteren te laat was met haar medicijnen. Kun je daar beter op letten?’ Haar toon is verwijtend.

‘Misschien kun jij het morgen doen?’ zeg ik zacht.

‘Nee joh, dat red ik echt niet met mijn werk en de kinderen.’

Ik hang op en voel de tranen prikken achter mijn ogen.

Op zondag zitten we met z’n allen bij Riet aan tafel – Mark, Sanne, haar man Jeroen en hun kinderen. Riet klaagt over haar pijn en over hoe zwaar het allemaal is. Sanne knikt begripvol, Mark zwijgt.

Dan zegt Riet ineens: ‘Anouk doet haar best hoor, maar soms voel ik me toch wel erg alleen.’

Iedereen kijkt naar mij.

‘Misschien moeten we professionele hulp inschakelen,’ probeer ik voorzichtig.

Mark fronst zijn wenkbrauwen. ‘Dat kost geld.’

‘En wie betaalt dat dan?’ voegt Jeroen toe.

Sanne zucht: ‘We kunnen toch niet alles op Anouk afschuiven…’

Maar niemand biedt aan om iets over te nemen.

Die avond fiets ik door de regen naar huis. Mijn jas is doorweekt, mijn wangen nat van de tranen die niemand ziet.

Maandagochtend bel ik mijn huisarts. In de wachtkamer zit een oude man te hoesten; een jonge moeder wiegt haar baby heen en weer. Als ik binnenkom bij dokter De Vries breek ik opnieuw.

‘Ik kan niet meer,’ fluister ik.

Ze knikt begrijpend. ‘Je bent niet de enige die hiermee worstelt, Anouk. Mantelzorg is zwaar – zeker als je er alleen voor staat.’

Ze schrijft me rust voor en verwijst me naar maatschappelijk werk.

Thuis vertel ik Mark dat ik hulp heb gezocht.

‘Wat bedoel je? Je gaat toch niet met een vreemde praten over onze familie?’

‘Ik moet wel,’ zeg ik zacht. ‘Anders ga ik eraan onderdoor.’

De dagen daarna voel ik me schuldig én opgelucht tegelijk. Ik ga minder vaak naar Riet; een wijkverpleegkundige neemt sommige taken over. Riet moppert, Sanne stuurt boze appjes (‘Jij laat ons allemaal in de steek!’), Mark zwijgt steeds vaker.

Op een avond barst het los.

‘Je denkt alleen aan jezelf!’ roept Mark terwijl hij met zijn vuist op tafel slaat.

‘Nee,’ zeg ik rustig maar vastberaden. ‘Voor het eerst in jaren denk ik aan mezelf.’

Er valt een stilte die alles zegt.

De weken daarna verandert er veel. Mark slaapt op de bank; Sanne praat nauwelijks nog tegen me. Maar langzaam voel ik mezelf terugkomen – als een bloem die na een lange winter weer opbloeit.

Op een dag belt Riet zelf.

‘Anouk… het spijt me dat ik zo veel van je heb gevraagd,’ zegt ze zacht.

Ik slik de brok in mijn keel weg. ‘Het is goed, Riet. Maar ik kan het niet alleen.’

Ze snikt zachtjes aan de andere kant van de lijn.

Langzaam komt er meer begrip in de familie – al blijft het moeilijk. Mark en ik gaan in relatietherapie; Sanne schakelt vaker hulp in voor haar kinderen zodat ze ook bij haar moeder kan zijn.

Soms voel ik nog steeds het schuldgevoel knagen als een muis aan een stuk kaas. Maar steeds vaker voel ik ook trots: omdat ik voor mezelf heb gekozen.

Nu zit ik hier aan tafel met een kop thee en kijk naar buiten waar de regen eindelijk is gestopt.

Was het egoïstisch om voor mezelf te kiezen? Of is het juist dapper om grenzen te stellen?
Wat zouden jullie doen als iedereen iets van je verwacht – maar niemand vraagt hoe het écht met je gaat?