Mijn Zoon Verzuipt in Schulden: Een Moederlijke Strijd om Haar Kind

‘Mam, heb je misschien vijftig euro voor me? Het is echt even dringend.’

Zijn stem trilt aan de andere kant van de lijn. Daan belt nooit zomaar. Ik voel meteen dat er iets niet klopt. ‘Waarvoor heb je het nodig, jongen?’ vraag ik, mijn stem zachter dan ik bedoel. ‘Gewoon, iets met school, een boek dat ik moet kopen. Ik betaal je snel terug, echt waar.’

Het is niet de eerste keer. De laatste maanden zijn er steeds vaker van dit soort telefoontjes. Kleine bedragen, soms wat meer. Altijd met een smoes, altijd met de belofte dat hij het terugbetaalt. Maar het geld komt nooit terug. En ik, ik geef het toch. Omdat hij mijn zoon is. Omdat ik hoop dat het deze keer anders is. Omdat ik niet wil geloven wat ik diep vanbinnen al weet.

‘Daan, lieverd, je weet dat je altijd eerlijk tegen me kunt zijn, hè?’ probeer ik voorzichtig. Aan de andere kant blijft het stil. Ik hoor zijn ademhaling, snel en onrustig. ‘Het is gewoon lastig nu, mam. Ik regel het wel. Maak je geen zorgen.’

Maar ik maak me zorgen. Ik maak me kapot van zorgen. Sinds zijn vader en ik uit elkaar zijn, is Daan veranderd. Hij woont nu op zichzelf in Utrecht, studeert aan de Hogeschool, maar zijn cijfers zijn slecht en hij komt nauwelijks nog thuis. Als ik hem zie, is hij magerder dan ooit. Zijn ogen staan dof. Soms ruikt hij naar rook, soms naar drank. Maar altijd zegt hij dat het goed gaat. Altijd.

Die avond lig ik wakker. Mijn gedachten razen. Wat als hij drugs gebruikt? Wat als hij gokt? Wat als hij… Ik durf het niet af te maken. Ik voel me schuldig. Heb ik gefaald als moeder? Had ik strenger moeten zijn, meer moeten vragen, minder moeten geven?

De volgende dag besluit ik hem op te zoeken. Zonder aankondiging, zonder waarschuwing. Ik neem de trein naar Utrecht, mijn hart bonkt in mijn keel. Onderweg staar ik naar het voorbijrazende landschap. Wat ga ik zeggen? Wat als hij boos wordt? Wat als hij me de deur wijst?

Zijn kamer is een chaos. Overal liggen lege pizzadozen, bierblikjes, stapels onbetaalde rekeningen. Daan zit op de bank, zijn hoofd in zijn handen. Hij schrikt als ik binnenkom. ‘Mam? Wat doe jij hier?’

‘Ik maak me zorgen, Daan. Echt zorgen. Dit kan zo niet langer.’ Mijn stem breekt. Ik probeer hem aan te kijken, maar hij ontwijkt mijn blik. ‘Het gaat niet goed met je, hè?’

Hij zucht diep. ‘Mam, ik red me wel. Je hoeft je niet overal mee te bemoeien.’

‘Daan, ik ben je moeder. Natuurlijk bemoei ik me ermee. Je vraagt steeds geld, je komt je afspraken niet na, je ziet er slecht uit. Wat is er aan de hand?’

Hij zwijgt. Ik zie zijn kaken spannen. Dan, ineens, barst hij los. ‘Ik heb schulden, oké? Is dat wat je wilt horen? Ik heb geld geleend van vrienden, van die gasten van school, van iedereen eigenlijk. En nu willen ze het terug. Maar ik heb het niet. Ik weet niet meer wat ik moet doen.’

Mijn hart breekt. Ik wil hem omhelzen, maar hij duwt me weg. ‘Laat me met rust, mam. Je snapt het toch niet.’

‘Laat me je helpen, Daan. We kunnen samen naar de schuldhulpverlening, naar de gemeente. Je hoeft dit niet alleen te doen.’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Ze lachen me uit. Niemand kan me helpen. Het is te laat.’

De dagen daarna probeer ik alles. Ik bel zijn vader, die zegt dat het Daan zijn eigen verantwoordelijkheid is. ‘Hij moet volwassen worden, Marieke. Je kunt hem niet blijven redden.’ Ik bel de gemeente, zoek informatie op internet, praat met zijn vrienden. Iedereen zegt hetzelfde: hij moet het zelf willen. Maar Daan wil niet. Of kan niet. Of durft niet.

Thuis ben ik een wrak. Mijn dochter, Lotte, merkt het meteen. ‘Mam, je moet jezelf niet vergeten. Je kunt Daan niet dwingen.’ Maar hoe kan ik hem loslaten? Hoe kan ik toekijken terwijl mijn kind verdrinkt?

Op een avond belt Daan weer. ‘Mam, ik weet niet meer wat ik moet doen. Ze hebben me bedreigd. Ze zeggen dat ze langskomen als ik niet betaal.’ Zijn stem klinkt klein, gebroken. Ik voel paniek opkomen. ‘Waar ben je nu? Ik kom naar je toe.’

Als ik aankom, zit hij trillend op de bank. Zijn gezicht is grauw, zijn handen klam. ‘Ze stonden net voor de deur, mam. Ik ben zo bang.’

Ik neem hem in mijn armen. ‘We gaan nu hulp zoeken. Samen. Je hoeft je niet te schamen. Iedereen maakt fouten. Maar je moet het wel willen, Daan. Je moet het echt willen.’

Hij knikt, eindelijk. De volgende dag gaan we samen naar het wijkteam. Het is een lange weg, met veel vallen en opstaan. Soms wil hij niet meer, soms geeft hij op. Maar ik blijf. Ik blijf altijd. Want ik ben zijn moeder.

Maanden later is er eindelijk licht aan het einde van de tunnel. De schulden zijn nog niet weg, maar er is een plan. Daan werkt weer, langzaam krijgt hij zijn leven terug. Maar het vertrouwen is broos. Elke dag ben ik bang dat het weer misgaat.

Soms vraag ik me af: heb ik het goed gedaan? Had ik hem eerder moeten laten vallen? Of juist meer moeten helpen? Hoe red je een kind dat zichzelf niet wil redden? En hoe blijf je zelf overeind als moeder, als alles om je heen instort?

Misschien is dat wel de grootste vraag: hoe blijf je houden van iemand die je steeds weer pijn doet? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?