Ik wil geen stiefmoeder! Het verhaal van Zosia in Nederland

‘Ik wil geen stiefmoeder! Ik wil geen stiefmoeder!’ De woorden galmen door mijn hoofd terwijl ik met mijn fiets aan de hand langzaam de straat in loop. Mijn handen trillen een beetje, en ik voel hoe mijn hart bonkt in mijn borst. Het is alsof ik elk moment kan ontploffen. Mijn vader had het vanmorgen nog zo nonchalant gezegd, terwijl hij zijn koffie inschonk: ‘Zosia, vanavond komt Marleen even langs. Ik wil graag dat jullie elkaar leren kennen.’ Alsof het de normaalste zaak van de wereld is, alsof ik niet al drie keer eerder een “nieuwe vriendin” heb moeten begroeten. Alsof ik niet elke keer weer een stukje van mijn thuis kwijtraak.

Ik trap de voordeur open met mijn voet. ‘Ben je thuis, Zosia?’ klinkt het meteen vanuit de woonkamer. Mijn vader. Zijn stem klinkt opgewekt, maar ik hoor de spanning eronder. Hij weet dat ik dit niet wil. Ik gooi mijn tas in de gang en loop met tegenzin naar binnen. Daar zit hij, netjes in een overhemd, zijn haar gekamd. Op tafel staan bloemen. Bloemen! Alsof we een feestje vieren.

‘Hoi pap,’ mompel ik. Ik probeer zijn blik te ontwijken. Hij glimlacht, maar zijn ogen zoeken naar iets – goedkeuring, misschien. Of hoop. ‘Marleen is er over een kwartiertje. Wil je misschien helpen met de hapjes?’

‘Nee, ik moet huiswerk maken,’ zeg ik snel. Ik wil niet helpen. Ik wil niet dat deze vrouw zich welkom voelt. Ik wil dat alles weer normaal is, zoals vroeger, toen mama nog hier woonde en we met z’n drieën aan tafel zaten. Toen er geen vreemde vrouwen in onze woonkamer zaten die deden alsof ze mijn moeder konden vervangen.

Mijn vader zucht. ‘Zosia, ik weet dat het lastig is. Maar Marleen is belangrijk voor me. Kun je het niet gewoon proberen?’

Ik voel hoe mijn ogen prikken. ‘Waarom moet je altijd iemand hebben? Waarom kan het niet gewoon wij tweeën zijn?’ Mijn stem slaat over. Ik wil niet huilen, niet nu, niet voor hem. Maar het lukt niet. De tranen rollen over mijn wangen en ik ren de trap op, mijn kamer in. Ik sla de deur dicht en laat mezelf op bed vallen. Mijn kussen wordt nat van de tranen. Ik hoor beneden mijn vader zachtjes praten, misschien met zichzelf, misschien met iemand aan de telefoon. Ik weet het niet. Ik wil het ook niet weten.

Mijn kamer is mijn toevluchtsoord. Hier hangen nog foto’s van vroeger, van toen alles nog goed was. Mama, papa en ik op het strand in Scheveningen. Ik, met zand in mijn haar en een brede lach. Mama, met haar armen om me heen. Papa, die lacht naar de camera. Ik pak de foto vast en druk hem tegen mijn borst. ‘Waarom moest alles kapot?’ fluister ik. ‘Waarom?’

Na een tijdje hoor ik de bel. Mijn hart slaat een slag over. Ze is er. Ik hoor stemmen beneden, gelach. Mijn vader klinkt anders als hij met haar praat – zachter, vrolijker. Alsof hij iemand anders is. Ik hoor haar stem ook, hoog en een beetje zenuwachtig. ‘Wat een gezellig huis heb je, Erik!’ zegt ze. Ik rol met mijn ogen. Gezellig? Ze weet niet eens hoe het hier hoort te zijn.

Na een kwartier klopt mijn vader op mijn deur. ‘Zosia, wil je even komen?’

Ik zucht diep. Ik veeg mijn gezicht af en kijk in de spiegel. Mijn ogen zijn rood. Laat maar, denk ik. Laat haar maar zien hoe het echt is. Ik loop langzaam de trap af. In de woonkamer zit Marleen op de bank, haar handen gevouwen in haar schoot. Ze glimlacht naar me, een beetje ongemakkelijk. ‘Hoi Zosia, wat leuk om je te ontmoeten!’

Ik knik alleen maar. Mijn vader kijkt me waarschuwend aan. ‘Zosia, Marleen werkt op een basisschool. Ze houdt heel erg van kinderen.’

‘Ik ben geen kind meer,’ mompel ik. Marleen lacht een beetje, maar haar ogen worden onzeker. ‘Nee, natuurlijk niet. Je bent al bijna zestien, toch?’

‘Vijftien,’ zeg ik kortaf. Ik ga op de stoel zitten, zo ver mogelijk bij haar vandaan. Mijn vader probeert het gesprek op gang te houden. ‘Marleen houdt ook van schilderen, net als jij.’

‘Oh, wat leuk!’ zegt Marleen. ‘Wat schilder je graag?’

‘Maakt niet uit,’ zeg ik. Ik voel de spanning in de kamer. Mijn vader kijkt me boos aan. ‘Zosia, doe eens normaal.’

‘Ik doe normaal,’ snauw ik terug. ‘Ik hoef haar toch niet aardig te vinden?’

Er valt een pijnlijke stilte. Marleen kijkt naar haar handen. Mijn vader staat op en loopt naar de keuken. Ik hoor hem vloeken. Marleen probeert het nog een keer. ‘Het is vast moeilijk voor je, hè? Alles is zo veranderd.’

Ik kijk haar aan. Haar ogen zijn zacht, maar ik wil haar niet aardig vinden. ‘U weet niet hoe het is,’ zeg ik. ‘U heeft uw eigen leven. U komt hier binnen en denkt dat u alles kunt oplossen. Maar dat kan niet.’

Ze knikt langzaam. ‘Je hebt gelijk. Ik kan niets oplossen. Maar ik wil er wel voor je zijn, als je dat ooit wilt.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik voel me schuldig, maar ook boos. Waarom moet ik altijd rekening houden met anderen? Waarom vraagt niemand wat ik wil?

De rest van de avond verloopt stroef. Mijn vader probeert te doen alsof alles normaal is, maar ik zie dat hij teleurgesteld is. Marleen vertrekt vroeg. ‘Het spijt me dat het zo ongemakkelijk was,’ zegt ze zacht tegen mijn vader in de gang. Ik hoor het, want ik sta boven aan de trap te luisteren. Mijn vader zucht. ‘Ze heeft tijd nodig. Het komt wel goed.’

Als de deur dichtvalt, voel ik me leeg. Mijn vader komt naar boven. Hij klopt op mijn deur. ‘Mag ik binnenkomen?’

Ik trek mijn knieën op en knik. Hij gaat naast me zitten op bed. ‘Zosia, ik weet dat het moeilijk is. Maar ik ben ook maar een mens. Ik wil ook gelukkig zijn.’

‘En ik dan?’ vraag ik zacht. ‘Wanneer mag ik weer gelukkig zijn?’

Hij slaat een arm om me heen. ‘Dat wil ik ook voor jou. Maar soms moeten we nieuwe dingen proberen. Misschien is Marleen niet jouw moeder, maar misschien kan ze wel iets voor ons betekenen.’

Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik moe ben van het vechten. Dat ik wil dat iemand mij begrijpt, zonder dat ik het hoef uit te leggen. Dat ik wil dat mijn vader weer gewoon mijn vader is, zonder dat ik hem hoef te delen.

Die nacht lig ik lang wakker. Ik denk aan mama, aan hoe het was toen ze nog hier woonde. Ik denk aan de ruzies, aan de stilte daarna. Aan de dag dat ze haar koffers pakte en vertrok. ‘Het is beter zo, Zosia,’ had ze gezegd. ‘Voor ons allemaal.’ Maar het voelde niet beter. Het voelde alsof ik in tweeën werd gescheurd.

Op school ben ik stil. Mijn vriendin Noor vraagt wat er is. ‘Niks,’ zeg ik. Maar ze gelooft me niet. ‘Je mag altijd bij mij logeren, hoor,’ zegt ze. Ik glimlach dankbaar. Soms voelt het alsof haar huis de enige plek is waar ik even kan ademen.

Thuis is het stil. Mijn vader probeert vrolijk te doen, maar ik zie dat hij zich zorgen maakt. Hij appt vaak met Marleen, maar ze komt niet meer langs. Ik weet niet of dat door mij komt. Misschien wel. Misschien heb ik het verpest. Maar misschien was het nooit echt goed geweest.

Op een avond zit ik aan tafel, mijn huiswerk voor me. Mijn vader komt binnen. ‘Zosia, mag ik je iets vragen?’

Ik kijk op. ‘Wat?’

‘Wil je dat Marleen nog een keer langskomt? Of liever niet?’

Ik denk na. Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik niet weer wil doen alsof. ‘Misschien. Maar alleen als ik mezelf mag zijn. Niet als ik moet doen alsof ik haar leuk vind.’

Hij knikt. ‘Dat is eerlijk. Ik wil ook dat jij gelukkig bent, Zosia. Echt.’

Ik kijk hem aan. Voor het eerst in lange tijd zie ik de vader die ik kende. De vader die me opving als ik viel, die me leerde fietsen, die me altijd aan het lachen maakte. Misschien kunnen we het samen proberen. Misschien hoeft niet alles kapot te zijn.

Soms vraag ik me af: wanneer houdt het op, dat gevoel van verlies? Wanneer wordt een huis weer een thuis? Misschien hebben anderen hetzelfde meegemaakt. Hoe gingen jullie ermee om? Wat zou jij doen als je in mijn schoenen stond?