Waarom mag zij wel voor? Een dag in de wachtkamer van het ziekenhuis in Utrecht

‘Kijk nou toch! Waarom mag zij wel voor?’ De stem van de vrouw naast me trilde van verontwaardiging. Ik keek op van mijn telefoon en zag hoe een forse vrouw met een felrode jas zich zonder blikken of blozen langs de rij schoof. Ze had haar kin hoog geheven, haar ogen priemden de ruimte in, alsof ze iedereen uitdaagde haar tegen te houden.

‘Mevrouw, we staan hier allemaal te wachten!’ riep een jonge man met een kruk. Zijn gezicht was bleek, zijn ogen stonden dof van de pijn. ‘Iedereen is hier ziek, u bent niet de enige!’

De vrouw snoof. ‘Nog even en je noemt me oma! Ik moet naar binnen, en ik ga ook!’ Haar stem was scherp, bijna snijdend.

Een man met een bebloede, in verband gewikkelde schedel, zuchtte diep en zwaaide met zijn hand. ‘Laat haar maar. Wij hebben toch geen haast meer, blijkbaar.’

‘Hoezo geen haast?’ De vrouw met de kruk draaide zich naar hem toe. ‘Iedereen heeft hier zijn eigen zorgen! Je weet niet wat er speelt!’

De spanning in de wachtkamer was om te snijden. Ik voelde mijn hartslag versnellen. Mijn moeder zat naast me, haar handen trilden lichtjes op haar schoot. Ze was al weken ziek, maar haar huisarts had pas vandaag een spoedverwijzing geregeld. Ik had haar beloofd dat ik haar zou steunen, maar nu voelde ik me machteloos.

‘Rustig, mensen,’ probeerde ik, mijn stem zachter dan ik wilde. ‘We komen er allemaal wel aan de beurt.’

Een oude man met een grijze baard, die tot nu toe zwijgend had toegekeken, sloeg met zijn stok op de grond. ‘Vroeger hadden we respect voor elkaar. Nu duwt iedereen zich maar naar voren. Waar is het fatsoen gebleven?’

De vrouw in de rode jas draaide zich om en keek hem fel aan. ‘U weet niet wat ik heb meegemaakt! Misschien heb ik wel meer pijn dan u allemaal bij elkaar!’

‘Dat weet u niet,’ zei ik zacht, terwijl ik naar mijn moeder keek. Haar gezicht was bleek, haar ogen stonden dof. Ik voelde de woede in me opborrelen, maar ik slikte het weg. Wat zou het helpen? We waren allemaal hier, allemaal ziek, allemaal bang.

Plotseling barstte de vrouw met de kruk in tranen uit. ‘Ik kan niet meer! Ik sta hier al anderhalf uur, en niemand ziet me staan. Iedereen kijkt alleen maar naar zichzelf!’

De verpleegkundige die net de deur opende, keek verschrikt naar het tafereel. ‘Wat is hier aan de hand?’

‘Zij probeert voor te dringen!’ riep de vrouw naast me. ‘En wij wachten al zo lang!’

De verpleegkundige zuchtte. ‘We doen ons best, maar het is druk. Iedereen komt aan de beurt. Mevrouw in de rode jas, wilt u even meekomen? Dan kijken we samen naar uw situatie.’

De vrouw in de rode jas keek triomfantelijk om zich heen en verdween met de verpleegkundige achter de deur. De spanning in de wachtkamer bleef hangen, als een zware mist.

‘Altijd hetzelfde,’ mompelde de oude man. ‘Wie het hardst schreeuwt, krijgt zijn zin.’

Ik keek naar mijn moeder. Ze glimlachte flauwtjes. ‘Het is niet erg, jongen. We wachten wel. Ik ben al zo lang ziek, een uurtje meer of minder maakt niet uit.’

Maar ik voelde de onmacht in mijn borst branden. Waarom moest het altijd zo gaan? Waarom konden we niet gewoon aardig zijn voor elkaar, juist als we allemaal kwetsbaar waren?

Mijn gedachten dwaalden af naar vroeger, toen ik als kind met mijn moeder naar de huisarts ging. Ze hield altijd mijn hand vast, stelde me gerust, zei dat alles goed zou komen. Nu was ik degene die haar moest geruststellen, maar ik wist niet hoe.

‘Weet je nog, mam, dat we vroeger altijd samen naar de markt gingen? Dat je me dan een stroopwafel gaf als ik lief was geweest?’

Ze glimlachte. ‘Ja, jongen. Jij was altijd zo ongeduldig. Je wilde alles tegelijk zien, alles tegelijk proeven.’

‘Misschien heb ik dat nog steeds wel,’ zei ik. ‘Alleen nu wil ik dat jij snel geholpen wordt.’

Ze kneep in mijn hand. ‘Het komt goed. Echt.’

De minuten kropen voorbij. De vrouw met de kruk was gaan zitten, haar schouders schokten nog na van het huilen. De oude man staarde voor zich uit, zijn ogen glazig. Een jonge moeder probeerde haar peuter stil te houden met een pakje rozijntjes, maar het kind huilde zachtjes.

Iedereen leek gevangen in zijn eigen pijn, zijn eigen zorgen. Maar niemand sprak nog. De stilte was oorverdovend.

Na een half uur kwam de verpleegkundige terug. ‘Mevrouw de Vries?’

Mijn moeder keek op. ‘Dat ben ik.’

‘Komt u maar mee.’

Ik hielp haar overeind. Ze leunde zwaar op mijn arm. Terwijl we langs de rij liepen, voelde ik de blikken van de anderen in mijn rug prikken. Jaloezie? Medelijden? Ik wist het niet. Misschien allebei.

In de behandelkamer vroeg de arts vriendelijk: ‘Hoe gaat het met u, mevrouw?’

Mijn moeder haalde haar schouders op. ‘Het gaat wel. Ik ben vooral moe. En ik maak me zorgen om mijn zoon. Hij zorgt zo goed voor me, maar ik wil niet dat hij zich druk maakt.’

De arts glimlachte naar mij. ‘U doet het goed, hoor. Het is niet makkelijk, zorgen voor een ouder.’

Ik voelde mijn ogen prikken. ‘Ik wil gewoon dat ze beter wordt. Dat alles weer normaal is.’

De arts knikte. ‘Dat willen we allemaal. Maar soms moeten we geduld hebben. En elkaar een beetje helpen.’

Na het gesprek liepen we terug naar de wachtkamer. De vrouw met de kruk keek op en glimlachte flauwtjes. ‘Sterkte,’ zei ze zacht.

‘Dank je,’ zei ik. ‘Jij ook.’

Buiten regende het. Ik sloeg mijn arm om mijn moeder heen en samen liepen we naar de auto. Mijn hoofd tolde van de emoties, de spanning, de onmacht. Waarom zijn we soms zo hard voor elkaar, juist als we allemaal kwetsbaar zijn? Waarom vergeten we zo snel dat we allemaal mensen zijn, met onze eigen pijn, onze eigen angsten?

Misschien is dat de echte ziekte van deze tijd: dat we elkaar niet meer zien. Dat we alleen nog maar vechten om voor te mogen, in plaats van samen te wachten, samen te dragen. Wat denken jullie? Herkennen jullie dit, of ben ik te gevoelig geworden?