‘Als jij dit niet meer kunt, moet je dat gewoon zeggen’: hoe ik mijn moeder beloofde te zorgen, en nu twijfel of ik haar juist tekortdoe
‘Jij doet dit niet alleen voor haar, maar ook zodat jij je niet schuldig hoeft te voelen.’ Mijn broer zei het gewoon, bij mij aan de keukentafel, terwijl de aardappelen nog op het vuur stonden. Mijn moeder zat in de woonkamer in haar stoel te slapen, of te doen alsof. Ik werd zó boos dat ik meteen terugkaatste: ‘Makkelijk praten als je zelf alleen op zondag even langskomt.’
En toch bleef die zin hangen.
Mijn moeder woont sinds anderhalf jaar bij mij in huis. Tijdelijk, zou het zijn. Na haar val in haar seniorenwoning in Amersfoort zei de geriatrisch verpleegkundige in het ziekenhuis dat terug naar huis eigenlijk niet meer verstandig was zonder veel hulp. Mijn moeder wilde absoluut niet naar een verpleeghuis. ‘Ik eindig niet tussen mensen die de hele dag voor zich uit zitten te staren,’ zei ze toen. Mijn broer zei dat in huis nemen bij hem niet ging, omdat hij in een flat in Utrecht woont, drie hoog zonder lift, met twee pubers die al op elkaar leven. Ik zei toen vrij snel: ‘Dan komt ze wel even bij ons.’
Dat ‘even’ is nu anderhalf jaar.
Ik werk 28 uur bij een drogist, mijn man rijdt onregelmatige diensten bij een vervoersbedrijf, en onze jongste doet mbo in Amersfoort en heeft ook gewoon zijn gedoe. In het begin leek het nog te doen. Wmo-aanvraag gedaan, wijkverpleegkundige erbij, personenalarm geregeld, later ook huishoudelijke hulp voor een paar uur per week. Maar mijn moeder accepteert bijna niemand. ‘Die meisjes uit de thuiszorg jagen maar door het huis.’ ‘Ik ga me niet laten wassen door een vreemde.’ ‘Dat eten van tafeltje-dekje is niet te vreten.’ Steeds als ik probeerde iets te regelen, moest ik het aanhoren. En eerlijk is eerlijk: vaak gaf ik dan toe. Ik dacht dat dat respect was. Achteraf was het misschien vooral vermijden.
Ik ben degene die haar medicijnen klaarzet, mee naar de huisarts gaat, de was doet, de steunkousen probeert aan te krijgen, ‘s nachts eruit gaat als ze roept. Ik ben ook degene tegen wie ze het onaardigst doet. ‘Laat maar, jij hebt toch geen geduld.’ Of: ‘Vroeger konden vrouwen dit gewoon, zonder overal hulp voor in te schakelen.’ Dat komt binnen, hoe oud je zelf ook bent.
Een paar weken geleden ging het mis. Ik kwam terug van mijn werk en vond haar op de badkamervloer. Niet hard gevallen gelukkig, maar ze was wel helemaal in paniek en ik ook. Ze had gewacht met op de alarmknop drukken, omdat ze ‘mij niet tot last wilde zijn’. Ik hoorde mezelf snauwen: ‘Maar dat ben je al!’ Meteen daarna had ik spijt. Echt meteen. Ze keek me aan alsof ik haar had geslagen.
Die avond heeft ze bijna niet meer gepraat.
De volgende ochtend zei ze heel rustig: ‘Misschien moet ik toch ergens anders wonen.’ Ik voelde opluchting, en daar schaamde ik me direct voor. Dus ik zei juist: ‘Nee joh, dat zei ik in een rotmoment, zo bedoelde ik het niet.’ En vanaf dat moment werd alles nog stroever, omdat ik het ene zei en het andere voelde.
Mijn broer kwam erbij toen de casemanager dementie langskwam. Ja, dat speelt dus ook. Niet zwaar, zeggen ze, maar genoeg om te merken dat mijn moeder dingen vergeet, afspraken verdraait en achterdochtig wordt. Ik had dat thuis al langer gezien, maar ik heb het naar mijn broer toe steeds kleiner gemaakt. Ook naar de huisarts trouwens. Omdat ik bang was dat als ik eerlijk zei hoe vaak het misging, iedereen meteen zou aansturen op opname. En ergens had ik mijn moeder ooit beloofd: ‘Ik laat je niet wegstoppen.’ Dat woord gebruikte zij zelf altijd.
Bij dat gesprek zei de casemanager vrij direct: ‘De vraag is niet alleen wat mevrouw wil, maar ook of dit thuis nog veilig en haalbaar is.’ Mijn moeder werd kwaad. ‘Ze willen me kwijt.’ Mijn broer zei toen dat hij zich rot schrok van hoe moe ik eruitzag en dat het niet eerlijk was om alles op mij te laten landen. Ik ontplofte, natuurlijk. Ik somde op wat ik allemaal deed en dat hij makkelijk praten had. Toen zei hij dus die zin over mijn schuldgevoel.
En het ergste is: hij had niet helemaal ongelijk.
Toen mijn vader jaren geleden ziek werd, deed mijn moeder alles. Echt alles. Ze sliep op een stoel naast zijn bed in de laatste weken omdat ze bang was dat hij alleen zou sterven. Ik heb toen vaak gedacht: dat zou ik ook doen. Niet eens omdat iemand dat vroeg, maar omdat het zo hoort. En nu ik zelf in die rol zit, merk ik dat ik het niet kan zonder boos, moe en klein te worden. Dat voelt als falen. Alsof ik minder loyaal ben dan zij.
Maar er is nog iets waar ik niet trots op ben. Mijn man heeft maanden geleden al gezegd: ‘Dit houden wij thuis niet vol.’ Hij had gelijk, maar ik wilde het niet horen. Onze jongste eet steeds vaker boven omdat beneden de spanning hangt. Mijn moeder en mijn man ontwijken elkaar. En ik ben zelf zo kortaf geworden dat ik soms schrik van mijn eigen toon.
Vorige week heb ik eindelijk samen met de huisarts en de casemanager gekeken naar een plek in kleinschalig wonen, hier in de regio. Mijn moeder zei onderweg in de auto: ‘Dus je hebt al besloten dat ik weg moet.’ Ik zei: ‘Nee, ik probeer te voorkomen dat het thuis helemaal misgaat.’ Zij zei weer: ‘Voor wie?’ Daar had ik niet direct een goed antwoord op.
Sindsdien praat ze beleefd tegen me. Dat vind ik bijna nog erger dan boosheid.
Ik weet oprecht niet wat hier nog de goede keuze is. Blijven doorgaan voelt als iets bewijzen wat ik misschien allang niet meer waar kan maken. Maar haar laten verhuizen voelt alsof ik een belofte breek en haar in de steek laat op een moment dat ze juist afhankelijk is. Misschien heb ik te lang gedaan alsof liefde hetzelfde is als alles zelf dragen.
Ben ik dan laf als ik nu alsnog kies voor meer afstand en professionele zorg, of is juist doorgaan terwijl het thuis iedereen opbreekt onverantwoord? Wat zouden jullie doen?