Oma op Afroep: Mijn Leven Tussen Gemis en Hoop

‘Waarom bel je me nu pas, Maartje?’ De stem van mijn zoon Bram klinkt scherp aan de andere kant van de lijn. Mijn hand trilt terwijl ik de mascara terugzet op het plankje in de badkamer. ‘Ik… ik wist niet wat ik moest zeggen,’ stamel ik. ‘Je weet toch dat ik altijd voor je klaarsta?’

Het is zeven jaar geleden dat Jeroen, mijn man, vertrok. Hij liet me achter met een baby en een huis vol herinneringen. De eerste maanden voelde ik me als een schim in mijn eigen leven. Ik deed alles op de automatische piloot: luiers verschonen, flesjes maken, werken bij de bibliotheek in Utrecht. Maar elke avond als Bram sliep, staarde ik naar het plafond en vroeg ik me af hoe het zover had kunnen komen.

‘Je hoeft niet altijd sterk te zijn, mam,’ zei Bram laatst nog. Maar hoe leg je aan je kind uit dat je soms gewoon niet anders kunt? Dat je bang bent dat als je toegeeft aan je verdriet, je nooit meer overeind komt?

Vandaag is anders. Vandaag probeer ik mezelf weer te zijn. Ik sta voor de spiegel, trek een rechte lijn eyeliner langs mijn ooglid en pak automatisch de oude roze lipgloss. Maar dan zie ik in het bakje de rode lippenstift liggen – die heb ik niet meer aangeraakt sinds Jeroen weg is. Ik aarzel, maar draai hem open en breng hem aan. Mijn hart bonkt in mijn keel. Alsof ik mezelf toestemming geef om weer te leven.

‘Mam, luister je nog?’ Bram klinkt ongeduldig. ‘Sorry, ja… Ik ben gewoon een beetje zenuwachtig.’

‘Je wordt oma, mam! Dat is toch geweldig?’

Ik glimlach flauwtjes. ‘Ja, natuurlijk. Geweldig.’ Maar diep vanbinnen voel ik een steek van angst. Kan ik wel een goede oma zijn? Of zal ik net zo falen als moeder als ik soms denk dat ik heb gedaan?

De weken vliegen voorbij. Bram en zijn vriendin Sophie komen steeds vaker langs om over de baby te praten. Sophie is lief, maar haar moeder – Carla – is overal bij betrokken. Ze organiseert babyshowers, koopt kleertjes, en stuurt zelfs suggesties voor namen in de familie-app. Ik voel me steeds meer een buitenstaander in mijn eigen familie.

Op een zondagmiddag zitten we met z’n allen aan tafel. Carla lacht luid om haar eigen grapjes en Bram kijkt bewonderend naar haar. ‘Wat fijn dat jij er altijd bent, mam,’ zegt hij tegen haar.

Ik voel mijn wangen gloeien van schaamte en jaloezie. ‘Ik probeer er ook te zijn,’ zeg ik zachtjes.

Carla kijkt me aan met een glimlach die net iets te vriendelijk is. ‘Natuurlijk, Maartje. Maar jij werkt toch nog veel? Je hebt het vast druk.’

‘Ik kan best vrij nemen,’ zeg ik fel.

Bram zucht. ‘Mam, maak je niet druk. We willen gewoon dat iedereen zich betrokken voelt.’

’s Avonds lig ik wakker in bed. De stilte in huis drukt op mijn borst. Ik denk terug aan vroeger, aan de tijd dat Bram nog klein was en alles eenvoudiger leek. Toen hij ziek was en alleen door mij getroost wilde worden. Toen we samen pannenkoeken bakten op zaterdagochtend.

De volgende dag op mijn werk kan ik me niet concentreren. Mijn collega Linda merkt het meteen. ‘Gaat het wel?’ vraagt ze voorzichtig.

‘Ik weet het niet,’ zeg ik eerlijk. ‘Ik voel me zo overbodig.’

Linda knikt begrijpend. ‘Het is moeilijk als je kind volwassen wordt en zijn eigen leven opbouwt. Maar geloof me, ze hebben je nog steeds nodig.’

Ik wil haar geloven, maar als ik thuiskom en zie dat Bram weer een foto heeft gestuurd van Carla met Sophie in de babykamer, voel ik me alleen maar leger.

Op een avond belt Bram onverwacht aan. Hij ziet er moe uit.

‘Mam, mag ik even binnenkomen?’

‘Natuurlijk,’ zeg ik verbaasd.

Hij ploft neer op de bank en zucht diep. ‘Sophie en ik hebben ruzie gehad met Carla. Ze bemoeit zich overal mee.’

Ik voel een golf van opluchting én medelijden. ‘Wil je erover praten?’

Bram knikt. ‘Ik weet niet meer wat goed is. Iedereen heeft verwachtingen van me – van ons – en soms wil ik gewoon even rust.’

Ik leg mijn hand op zijn arm. ‘Je hoeft het niet alleen te doen, Bram.’

Hij kijkt me aan met vochtige ogen. ‘Sorry dat ik soms zo kortaf ben geweest tegen jou.’

Mijn hart breekt een beetje open. ‘Het geeft niet. Ik snap het wel.’

De weken daarna verandert er iets tussen ons. Bram vraagt vaker om mijn hulp – of het nu gaat om het schilderen van de babykamer of gewoon samen boodschappen doen voor Sophie’s rare zwangerschapscravings.

Op een dag krijg ik een appje: “Mam, wil jij straks oppassen als Sophie weer gaat werken?”

Mijn hart maakt een sprongetje van blijdschap én angst tegelijk.

De geboorte van mijn kleindochter – Lotte – verandert alles. Als ik haar voor het eerst vasthoud, voel ik een liefde die ik niet kende sinds Bram werd geboren.

Toch blijft Carla overal bij betrokken. Ze komt onaangekondigd langs, geeft ongevraagd advies en lijkt altijd net iets meer gewaardeerd te worden door Sophie dan ik.

Op een dag barst de bom tijdens een familie-etentje.

Carla zegt: ‘Misschien is het beter als Lotte straks naar het kinderdagverblijf gaat in plaats van bij jou of mij thuis te blijven.’

Bram kijkt ongemakkelijk naar zijn bord.

Ik voel woede opborrelen die ik jaren heb weggestopt.

‘Waarom zou ze niet bij haar eigen oma’s kunnen zijn?’ vraag ik scherp.

Carla haalt haar schouders op. ‘Het is gewoon makkelijker voor iedereen.’

‘Voor wie? Voor jou?’ Mijn stem trilt.

Sophie probeert te sussen: ‘Laten we er samen uitkomen.’

Maar iets in mij knapt.

‘Weet je wat? Misschien moet ik gewoon accepteren dat mijn rol hier uitgespeeld is,’ zeg ik terwijl ik opsta en mijn jas pak.

Bram roept me na: ‘Mam! Wacht!’

Maar ik loop naar buiten, de koude avondlucht in.

Thuis huil ik voor het eerst in jaren echt hardop.

De dagen daarna hoor ik niets van Bram of Sophie. Ik ga gewoon naar mijn werk, maak eten voor mezelf klaar en probeer niet te denken aan Lotte’s lachje of haar kleine handjes om mijn vinger.

Na een week staat Bram ineens voor mijn deur.

‘Mam… het spijt me zo,’ zegt hij met gebroken stem.

Ik laat hem binnen zonder iets te zeggen.

‘We willen dat jij Lotte’s oma bent,’ zegt hij uiteindelijk zachtjes. ‘We hebben met Carla gepraat. Jij bent net zo belangrijk.’

Tranen rollen over mijn wangen terwijl Lotte’s kleine lijfje tegen me aan ligt te slapen.

Misschien ben ik niet perfect geweest als moeder – maar als oma krijg ik een tweede kans.

Soms vraag ik me af: hoeveel pijn moet je doorstaan voordat je weer durft te hopen? En hoeveel liefde kun je geven zonder jezelf te verliezen?